In artikel 3.3 van het besluit wordt gesproken over gebruikelijke hulp. Dit is de normale dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Hiervoor gelden in het algemeen de volgende:
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.
Kinderen tussen 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand doen.
Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovenstaande taken, hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen en bed opmaken.
Vanaf 18 jaar zou men op kamers moeten kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden kunnen draaien. Dat komt overeen met ongeveer twee uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en drie uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijk taken per week. Ook kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
Vanaf 23 jaar wordt verwacht dat men een volledig huishouden kan draaien. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het hebben van een fulltime baan of studie, of met andere omstandigheden. Dit geldt eveneens voor volwassen huisgenoten onderling.
In geval van jeugdhulp kan er sprake zijn van gebruikelijke hulp van ouders aan hun kinderen. Dat is het geval zolang er geen boven gebruikelijk toezicht aan de orde is gelet op de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van het kind. De volgende richtlijnen zijn van toepassing.
Ouderlijk toezicht aan kinderen is afhankelijk van de leeftijd, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin kinderen tot 18 jaar hulp nodig hebben in de vorm van zorg, toezicht en dagbesteding gedurende de dag.
Tot gebruikelijke hulp aan kinderen kan in elk geval worden gerekend:
het leren omgaan van derden uit het eigen sociale netwerk met het kind,
begeleiding naar ziekenhuis, specialist of sportactiviteiten,
het bieden van een beschermde woonomgeving door ouders aan hun kinderen, waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en de ouder(s) in staat zijn om het kind op te voeden.
In geval van kortdurende zorgsituaties is sprake van gebruikelijke hulp indien er:
uitzicht is op herstel en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van het kind,
over het algemeen sprake is van een periode van maximaal drie maanden.
Van langdurige zorgsituaties is sprake als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot gezonde kinderen van dezelfde leeftijdscategorie substantieel wordt overschreden.
Begeleiding die buiten het werk om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken en/of dat het kind naar school gaat niet worden toegekend. Wanneer er wel sprake is van boven gebruikelijke begeleiding geldt de in te zetten hulp ook gedurende de periode dat ouders werken en/of dat het kind naar school gaat.
Van bovengebruikelijke hulp is sprake als in een chronische situatie de omvang van de hulp substantieel meer is dan een kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft. Dit hangt af van de kernmerken en omstandigheden van het kind dat hulp nodig heeft.
In alle gevallen geldt dat de afweging wordt gemaakt tussen wat gebruikelijke hulp is van een ouder respectievelijk kind, aan een kind respectievelijk ouder in een bepaalde levensfase, en wanneer dat op grond van aandoeningen, stoornissen of beperkingen boven gebruikelijk kan worden geacht.
Hoofdstuk
Artikel 1.1.
Gebruikelijke hulp
Onderdeel van Beleidsregel Richtlijnen voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte 2017