De aanslagen voor de heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
moeten worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste
vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
maanden later.
In afwijking van het eerste lid geldt dat zolang de verschuldigde
bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel
gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het
aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien
verstande dat het aantal termijnen ten minste twee en ten hoogste
tien bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening
van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand
later.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
moet het voorlopig gevorderde bedrag, alsmede het definitief
gevorderde bedrag, van de heffing als bedoeld in artikel 3, derde
lid, worden betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop
het voorschotbedrag, onderscheidenlijk het definitieve bedrag van de
afrekening van het waterleidingbedrijf moet worden betaald.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste
en tweede lid gestelde termijnen.
Artikel 10
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2017