De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij
wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de
aanvang van het parkeren, door middel van contante betaling of
gebruik van pinbetaling. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt
het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de
parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming
van de door het college gestelde voorschriften.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting,
indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt
door middel van het aanmelden (via telefoon, sms of internet) bij de
centrale computer, betaald worden binnen één maand na de dag waarop
het belastbare feit heeft plaatsgevonden.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij
wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het
tijdstip dat de parkeervergunning wordt verleend.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 7
Wijze van heffing en termijn van betaling
Onderdeel van Verordeningen op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2017