De ambtenaar is voor het van gemeentewege verstrekte genot van woning en verdere verstrekkingen in die woning aan de gemeente een bedrag verschuldigd, overeenkomende met de in het derde en vierde lid genoemde percentages van zijn berekeningsbasis.
Als "berekeningsbasis" geldt het salaris van de ambtenaar, vermeerderd met de toelagen als bedoeld in de artikelen 3:7:8, 3:1:1:12 en 3:1:1:13, met dien verstande dat het salaris bij een onvolledige werktijd wordt herleid tot het salaris, geldende bij een volledige werktijd.
Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde bedrag is:
voor het genot van woning: het bedrag van de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten en loonbelasting, met dien verstande, dat nimmer meer gekort wordt dan twaalf ten honderd van de berekeningsbasis van de betrokken ambtenaar;
voor het genot van vuur en licht:drie ten honderd van de berekeningsbasis van de ambtenaar, met dien verstande, dat het aldus vastgestelde bedrag per maand wordt afgerond op vijftig cent naar beneden.
Indien de verplichting tot het bewonen van een ambts of dienstwoning de ambtenaar is opgelegd met het oogmerk een gebouw van de gemeente of van hetgeen daarin verborgen is te bewaren, wordt de ambtenaar een toelage toegekend ten bedrage van twee ten honderd van de berekeningsbasis van de ambtenaar.
In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen welke afwijkt van het bepaalde in het tweede en derde lid.