Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3:2:1

Overwerkvergoeding

Onderdeel van CAR/UWO

De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit: verlof, gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag, dat voor die uren wordt berekend, overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde, of verlof, gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, vermeerderd met een periode, die voor die uren wordt berekend naar de in het vijfde lid bedoelde percentages. Vergoeding vindt niet op de onder b. bedoelde wijze plaats als het dienstbelang dit naar het oordeel van het hoofd van dienst niet toelaat of als de ambtenaar daarmee niet instemt Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip, gelegen zo mogelijk binnen twee weken, doch uiterlijk binnen zes weken na de week, waarin het overwerk is verricht. Op verzoek van de ambtenaar en voorzover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit naar het oordeel van het bestuursorgaan toelaten, wordt het verlof verleend zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin op een tijdstip, dat de ambtenaar wenst. Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, bedoeld in artikel 6:2, tweede lid tezamen mag maximaal 50,4 uren bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur. Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, vierde in UWO derde lid en op de dag, volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, vierde in UWO derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk, op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, vierde in UWO derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar hun oordeel UWO: het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen, waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, vierde in UWO derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80 procent. De tijd, welke, in verband met het overwerk, nodig is om van de woning naar het werk te gaan en om van het werk terug te keren naar de woning, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als tijd, gedurende welke arbeid is verricht. Het college bepaalt welke ambtenaren gelet op de aard en het niveau van hun betrekking geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar, die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door hen UWO: het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar hun oordeel UWO: het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. Het college is bevoegd om voor werkzaamheden, welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking tezamen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar hun oordeel UWO: het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. Dit artikel is niet van toepassing op overwerk, hetwelk UWO: dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel