Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen dat voor ambte¬naren, werkzaam in onregelmatige dienst, de arbeidsduur naar evenredigheid kan worden verkort, met dien verstande dat voor ambtenaren, die in een drie- of meerploegendienst werkzaam zijn, de arbeidsduur gemiddeld tenminste 36 uren per week en ten hoogste 144 uren in vier achtereenvolgende weken zal bedragen.
Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt voorts zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.
Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onder a., is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.
Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd.
Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor een kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten
Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem, die tot een kerkgenootschap behoort, dat de wekelijkse rustdag op de sabbat op de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.