Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voorzover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkom¬sten tijde¬lijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig vóór het verschij¬nen van de eerstvolgende uitkeringstermijn, nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard van de werkzaamheden mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en derde lid.
Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid, niet of niet volledig nakomt, wordt hij geacht gedurende de tijd, dat hij nalatig is dan wel over de periode, waarover hij onjuiste gegevens heeft verstrekt, inkomsten te hebben genoten tot een zodanig bedrag, dat de uitkering niet betaalbaar is, tenzij hij de leeftijd, genoemd in artikel 9:1:9, reeds heeft bereikt, in welk geval de uitkering beperkt blijft tot het bedrag van het pensioen, waarop hij recht zou hebben indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag.
De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in te bewilligen, dat zij die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijk zijn.