1.Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen jaar en het
jaarverslag, daarbij gevoegd de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde
lid, van de Gemeentewet en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213,
vierde lid, van de Gemeentewet, jaarlijks vóór 1 april ter vaststelling aan het
algemeen bestuur aan onder gelijktijdige toezending aan de raden van de
gemeenten.
2.Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast vóór 1 juli, volgende op het jaar
waarop deze betrekking heeft.
3.De jaarrekening wordt binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli, met alle
bijbehorende stukken en het jaarverslag aan Gedeputeerde Staten aangeboden.
4.Vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens
later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.
5.In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten over het
desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.
De kosten die resteren na afrekening per samenwerkingsmodule worden na aftrek van de inkomsten verdeeld over de deelnemende gemeenten volgens de kostenverdeelsleutel als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van deze regeling.
(Uit)betaling van het verschil tussen het op grond van artikel 29 van deze regeling
bepaalde en het werkelijk verschuldigde, vindt plaats meteen na de mededeling van
de vaststelling van de jaarrekening.