Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de gemeentesecretaris die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht tijdens een vergadering van de raad schriftelijk of mondeling verslag te doen over zaken die in dat algemeen bestuur aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de raad verwijzen naar een voorbereidende vergadering.
Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 34, zijn van overeenkomstige toepassing.
Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op leden van de raad, wethouders en de burgemeester die door de raad in organen van andere rechtspersonen zijn benoemd.
Artikel 47
Verslag en verantwoording
Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad