Naar hoofdinhoud
1.. Het college kent een individuele voorziening toe, indien en voor zover vastgesteld is dat: een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag; de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, al dan niet in het kader van gebruikelijke hulp als bedoeld in het derde lid, geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; een algemene voorziening die niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag; de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorzieningom de hulpvraag te beantwoorden. 2.. Hierbij houdt het collegerekening met: de godsdienstige gezindte, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdigeen zijn ouders; de persoonlijke wensen van de jeugdige en zijn ouders. 3.. De beoordeling van gebruikelijke zorg wordt gebaseerd op de Beleidsregels AWBZ en hoofdstuk 4 van de CIZ Indicatiewijzer, een en ander voor zover het een voorziening betreft die nu onder de Jeugdwet valt en voor zover van toepassing op de jeugdige. Daarbij geldt dat er – in aanvulling op de door het Ciz gepubliceerde tekst in versie 7.1 van de Indicatiewijzer van juli 2014 – van uitgegaan wordt dat, naast de activiteiten die specifiek zijn benoemd in bijlage II bij deze nadere regels de gebruikelijke zorg in aanvulling daarop en ter uitwerking van het beginsel van eigen kracht dat is neergelegd in artikel 2.3 lid 1 van de wet tevens geacht wordt gemiddeld één uur per dag te omvatten. 4.. Onverminderd het bepaalde in het derde lid dient de Ciz Indicatiewijzer ten aanzien van kortdurende en langdurige situaties zo te worden gelezen dat voor 'drie maanden' wordt gelezen 'zes maanden'. 5.. Met instemming van de jeugdige of zijn ouders kan, vooruitlopend op nieuw vast te stellen beleid een voorziening worden verstrekt waarbij gemotiveerd wordt afgeweken van het bepaalde in lid 3.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel