Uit artikel 5.2, tweede lid TW volgt dat de gemeente bij de coördinatie andere werkzaamheden en andere belangen waarin de TW niet voorziet, moet betrekken. Gedacht kan worden aan de belangen zoals genoemd in het eerste lid van artikel 5 van de verordening. Bij de formulering van deze belangen is aansluiting gezocht bij de terminologie uit de model-APV van de VNG.
De belangenafweging kan ertoe leiden dat aan het instemmingsbesluit voorschriften of beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften of beperkingen mogen niet zodanig belemmerend werken dat niet meer gesproken zou kunnen worden van de gedoogplicht van de gemeente. Een dergelijke aanpak zou in strijd zijn met de Telecommunicatiewet. Artikel 5.2, tweede lid, TW bepaalt immers dat de coördinatie niet mag leiden tot een zodanige vertraging van voorgenomen werkzaamheden dat redelijkerwijs niet meer kan worden gesproken van gedogen.
In het instemmingsbesluit kan het tijdstip van aanvang van de werkzaamheden op enige tijd na het tijdstip van de melding van de voorgenomen aanvang worden gesteld. De gedoogplicht wordt hierdoor in beginsel niet geschonden. In de Nota naar aanleiding van het verslag van 29 december 1997 zegt de minister hierover: "Of dit tijdstip één maand of zes maanden verder weg kan zijn gelegen is niet aan de wetgever om voor eens en altijd te bepalen. Van gemeente tot gemeente, maar zelfs binnen een gemeente, kunnen de omstandigheden verschillen. Denk hierbij aan omstandigheden als: buitenwijk, centrum, soort grond, wanneer meest recente opbreking." De wetgever heeft gelet op deze diversiteit geen termijn willen stellen waarbinnen met de werkzaamheden moet zijn begonnen. Het college van burgemeester en wethouders zal daarom voor elke concrete situatie moeten afwegen of op de voorgenomen aanvangsdatum van de werkzaamheden ook daadwerkelijk een aanvang kan worden gemaakt.
De coördinatieplicht brengt met zich mee dat vanuit de gemeenten zo veel mogelijk onderzocht wordt of verschillende verzoeken tot werkzaamheden in de openbare grond niet kunnen worden gecombineerd. Dit voorkomt dat een weg bijvoorbeeld om het halfjaar wordt opengebroken. Voor bijvoorbeeld burgers, ondernemers etc. kan dit veel overlast met zich meebrengen. Daarnaast kan het ook in het belang van de aanbieders zijn om gezamenlijk de kosten van het openbreken van de grond te dragen.
Niet alleen beperkingen in de tijd kunnen aan het instemmingsbesluit worden verbonden, maar ook voorschriften of beperkingen omtrent de wijze van uitvoering. Een bepaald traject van de kabel kan, gelet op de belangen die genoemd worden in het eerste lid, op grote bezwaren stuiten. Het is dan van belang om samen met de aanbieder te
-7
onderzoeken of de kabel ook via een ander traject kan worden aangelegd. De gemeente kan vervolgens instemming geven voor een van de melding afwijkend traject.
Werkzaamheden ten behoeve van huisaansluitingen komen dikwijls in een gemeente voor. Deze kleine werkzaamheden dienen op grond van de TW te worden gemeld aan de gemeente. Om te voorkomen dat de gemeente voor elke huisaansluiting een apart instemmingsbesluit moet nemen, kan in het instemmingsbesluit voor het "moedertraject" worden opgenomen dat de instemming ook geldt voor toekomstige huisaansluitingen. Door in een voorschrift te bepalen dat werkzaamheden hiervoor vooraf moeten worden gemeld aan burgemeester en wethouders, blijft de gemeente op de hoogte van waar en wanneer de openbare grond wordt opengebroken.
Er kan ook een voorschrift aan het instemmingsbesluit worden verbonden waarin wordt geregeld hoe te handelen bij storingen aan het telecommunicatie- of omroepnetwerk. Indien zich een storing voordoet, dient deze immers dikwijls direct verhopen te worden. Het vooraf melden en het wachten op voorafgaande instemming is dan niet in alle gevallen mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan een storing die zich in het weekend voordoet. Indien de storing direct verholpen moet worden, is het van belang dat wel achteraf melding wordt gemaakt van de werkzaamheden. Met het oog daarop kan een voorschrift aan het instemmingsbesluit worden verbonden dat bepaalt dat indien bij storingen de daarvoor uit te voeren werkzaamheden niet vooraf gemeld kunnen worden en burgemeester en wethouders niet vooraf gevraagd kunnen worden om instemming, binnen 48 uur na de werkzaamheden het college alsnog hiervan in kennis wordt gesteld.
Bij de kamerbehandeling van de TW heeft de minister gesteld dat de gemeente een marktpartij kan verplichten om kabelgoten te gebruiken die voor andere telecomaanbieders toegankelijk zijn. In de verordening wordt uitdrukkelijk bepaald dat een voorschrift hierover aan het instemmingsbesluit kan worden verbonden. Dit betekent niet alleen dat een marktpartij door burgemeester en wethouders kan worden verplicht om van bestaande kabelgoten gebruik te maken, maar ook dat een marktpartij kan worden verplicht om nog niet aanwezige kabelgoten te realiseren. Omdat dit grote kosten met zich mee kan brengen voor een aanbieder, moet de gemeente zich er terdege van bewust zijn dat het verbinden van een dergelijk voorschrift aan het instemmingsbesluit op een daadkrachtige motivering moet berusten. Overigens zijn de aanbieders van telecommunicatienetwerken verplicht, op basis van artikel 5.10, TW, om elkaar medegebruik van voorzieningen (waaronder kabelgoten) te verlenen, mits daar een redelijke vergoeding tegenover staat. Dit is echter een zaak waar de gemeente buiten staat.
Ook kan de gemeente een voorschrift of beperking aan het instemmingsbesluit verbinden waarbij een zekerheid wordt verlangd over de nakoming van bepaalde verplichtingen. In het bestuursrecht is het verbinden van een financiële voorwaarde aan een besluit in beginsel toegestaan als daarmee de met het besluit meespelende belangen worden gediend. Als voorbeeld kan genoemd worden het verbinden van een voorschrift aan het instemmingsbesluit inhoudende dat een waarborgsom moet worden gestort om het wegoppervlak weer in de oude staat terug te brengen.
Artikel 5.2, vierde lid, onder c, TW bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval regels vaststelt over de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming en van medegebruik van voorzieningen. Gelet hierop moet in het derde lid van artikel 5 een verwijzing naar de in de gemeente gebruikte technische vereisten worden opgenomen. Veel gemeenten gebruiken in de praktijk een handboek met technische gegevens waaraan graafwerkzaamheden moeten voldoen. Een verwijzing hiernaar in artikel 5 zorgt ervoor dat de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud en verplaatsing, alsmede de opruiming van kabels en het medegebruik van voorzieningen, dient te geschieden conform deze technische vereisten.
De TW laat de publiekrechtelijke bevoegdheden van de gemeente en andere overheden die zijn gebaseerd op specifieke wettelijke regelingen onverlet. Dat wil zeggen dat de aanbieder van een telecommunicatie- of omroepnetwerk bij deze overheden de benodigde vergunningen, ontheffingen etc. dient aan te vragen (bijvoorbeeld een vergunning op basis van de keur van het waterschap als de kabel in een dijklichaam wordt aangelegd). Het ontbreken van dergelijke vergunningen of ontheffingen kan echter geen reden zijn om het instemmingsbesluit te weigeren.
Bekendmaking
Het instemmingsbesluit zal bekend gemaakt moeten worden overeenkomstig artikel 3:41 Awb. Toezending van het instemmingsbesluit aan de aanvrager, welke meestal de aanbieder zal zijn, ligt dan in de rede. De Awb vereist niet
-8
dat besluiten die, ingevolge artikel 3:41, aan een of meer belanghebbenden zijn gericht, openbaar bekendgemaakt worden. In Amersfoort zal publicatie van de instemming toch plaats vinden , opdat ook anderen tijdig op de hoogte zijn van de verlening.
Bezwaar, beroep en schadevergoeding
Tegen het instemmingsbesluit kunnen belanghebbenden bezwaar aantekenen bij het college van burgemeester en wethouders. Vervolgens staat ingevolge artikel 17. 1, TW beroep open op de arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ingevolge artikel 20 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB). Is er schade veroorzaakt die verband houdt met de gedoogplicht, dan beperkt het recht op schadevergoeding, ingevolge artikel 5.4, TW, zich voor eigenaren en beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de kosten van de voorzieningen en van de meerdere kosten van onderhoud. Artikel 5.9, TW bepaalt dat een eis tot schadevergoeding aanhangig gemaakt dient te worden bij de kantonrechter in wiens ambtsgebied de onroerende zaak is gelegen waaraan schade wordt toegebracht. Hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter is voorts toegestaan.
Artikel 5.7, TW regelt de kostenvergoeding in het geval dat de kabels verplaatst moeten worden. Indien de gemeente als gedoogplichtige wil dat kabels worden verplaatst in verband met de oprichting van een gebouw of de uitvoering van werken, dan dient de aanbieder dit op eigen kosten te doen. In andere gevallen moeten de kosten van het verplaatsen worden vergoed aan de aanbieder. Ontstaat een geschil over de kosten, dan kan de OPTA om een beschikking worden gevraagd, waartegen beroep openstaat bij de bovengenoemde arrondissementsrechtbank en hoger beroep bij het CBB.
Artikel 5.8, TW geeft een regeling voor bomen en beplanting die hinderlijk zijn voor de telecommunicatie- of omroepnetwerken. Rechthebbenden van bomen of beplantingen zijn verplicht te voldoen aan een verzoek van de aanbieder van een openbaar telecommunicatie- of omroepnetwerk om deze te snoeien of in te korten indien deze hinderlijk zijn of worden voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van deze netwerken. De OPTA is bevoegd om bestuursdwang toe te passen indien de rechthebbende niet voldoet aan een dergelijk verzoek van de aanbieder. De aanbieders kunnen, ingevolge het derde lid van artikel 5.8, TW, ook zelf tot het opsnoeien of inkorten van wortels of takken overgaan. Er moet dan wel sprake zijn van ernstige belemmering of storing van de telecommunicatie. Artikel 5.9, TW bepaalt verder dat de rechthebbenden ten aanzien van de bomen of beplantingen het recht op schadevergoeding aanhangig kunnen maken bij de kantonrechter. Hoger beroep is hierop mogelijk.
Ontstaat er een geschil over de gedoogplicht ex artikel 5. 1, tweede lid, TW van interlokale en internationale kabels in niet-openbare gronden, met uitzondering van huizen en aangrenzende tuinen, dan kan op basis van artikel 5.3, tweede lid, TW de, OPTA als geschillenbeslechter optreden. De OPTA kan vervolgens een beschikking afgeven waartegen beroep openstaat bij de Rotterdamse arrondissementsrechtbank en hoger beroep bij het CBB. De wet kent ten aanzien van deze gedoogplicht geen beperking toe aan de omvang van het verzoek tot schadevergoeding. Alle schade kan opgevoerd worden in een procedure voor de kantonrechter. Hoger beroep is hierop mogelijk.
Worden kabels boven de grond aangebracht zonder dat deze de grond raken of in en aan gebouwen bijbehorende gronden, dan is eenieder verplicht om deze te gedogen. Is er schade geleden, dan kan deze via de bovengenoemde procedure bij de kantonrechter aanhangig worden gemaakt. In de artikelen 5.5 en 5.9, TW is dit nader geregeld.
Handhaving
Indien de aanbieder zonder voorafgaande melding of zonder instemming van het college van burgemeester en wethouders werkzaamheden verricht, wordt in strijd gehandeld met artikel 5.2, derde lid, TW. Dit vormt een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED). Ook het handelen in strijd met artikel 5.2, derde lid, inhoudende het handelen in strijd met het in het instemmingsbesluit opgenomen tijdstip van aanvang of voltooiing en de wijze van uitvoering, is onder de werking van de WED gebracht. Handhaving van deze artikelen vindt plaats door de daarvoor in artikel 17 WED aangewezen ambtenaren.
Naast deze strafrechtelijke handhaving is bestuursrechtelijke handhaving mogelijk. Het college van burgemeester en wethouders kan via een bestuursdwangprocedure ex artikel 125 Gemeentewet of een dwangsomprocedure ex artikel 125 Gemeentewet juncto 5:32 Awb naleving van de bepalingen uit de verordening afdwingen.
-9
Artikel 4
Voorschriften en beperkingen bij instemming
Onderdeel van Telecommunicatieverordening Amersfoort 1999