Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 8

Gedragingen Participatiewet

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2017

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekort is geschoten in de verplichting op grond van artikel 17 tweede lid en vierde lid van de Participatiewet. tweede categorie: als vaststaat of redelijkerwijs is aan te nemen dat de belanghebbende niet of in onvoldoende mate: solliciteert; meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, nakomt; de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet nakomt, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen; een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen verricht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. derde categorie: als vaststaat of redelijkerwijs is aan te nemen: dat de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft gekregen of behouden in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; dat de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens personen die onder verantwoordelijkheid of in opdracht van het college werkzaam zijn bij de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet. Onder zeer ernstige misdragingen wordt in ieder geval verstaan: verbaal geweld, discriminatie, intimidatie, lichamelijk geweld of bedreiging met lichamelijk geweld, gijzelneming, huis- of lokaalvredebreuk met geweld, dreiging met geweld of enige andere feitelijkheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel