In deze verordening wordt verstaan onder:
Wet: de Huisvestingswet;
Besluit: het Huisvestingsbesluit;
woonruimte: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub b van de Wet bepaalde,
huurprijs: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub j van de Wet bepaalde;
koopprijs: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub k van de Wet bepaalde;
huurprijsgrens: het daaromtrent in artikel 6 lid 3, sub b van de Wet bepaalde;
schaarstegrens: de koopgrens van een woonruimte beneden welk bedrag voor het aanbieden van de woning nadere afspraken gemaakt kunnen worden met de verkopende instantie;
economische binding: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub l van de Wet bepaalde;
maatschappelijke binding: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub m van de Wet bepaalde;
Gewest Eemland: het grondgebied van de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg;
Bestuurscommissie volkshuisvesting Gewest Eemland: de in artikel 2 van de Verordening bestuurscommissie volkshuisvesting Gewest Eemland bedoelde commissie;
huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren;
woningzoekende: een huishouden dat zich wil vestigen in de Provincie Utrecht en voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 2.4;
inkomen: het daaromtrent in artikel 3 van de Wet op de huurtoeslag bepaalde;
huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7 van de Wet;
eigenaar: het daaromtrent in artikel 1, lid 2, van de Wet bepaalde;
ingezetene: degene die in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Amersfoort of één der andere gemeenten in de Provincie Utrecht is opgenomen, en feitelijk in de gemeente Amersfoort of één der andere gemeenten in de Provincie Utrecht hoofdverblijf heeft in een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte;
onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
inwoning: het bewonen van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;
doorstromer: een woningzoekende die bij verhuizing een huurwoning in de Provincie Utrecht vrijmaakt met een huurprijs beneden de huurprijsgrens;
starter: een woningzoekende die niet aan het begrip doorstromer, als bedoeld in sub t, voldoet;een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Woningwet (Stbl. 1991, 439);
woonwagen: een woonwagen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet;
onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30 van de Wet;
splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet;
ligplaats: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid sub d van de Wet bepaalde.
inschrijfduur: de periode dat een woningzoekende aaneensluitend is ingeschreven in het register van woningzoekenden.
sociale huurwoning: woningen met een huur onder de huurprijsgrens.
Provincie Utrecht: omvat alle gemeenten die gelegen zijn in de Provincie Utrecht.
Zelfstandige woonruimte: woonruimte met een eigen toegang die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woning.
Aanbodsysteem: het selecteren van kandidaten uit de ingekomen reacties van woningzoekenden op een in een advertentiemedium ter toewijzing van de aangeboden woonruimte.
HOOFDSTUK 2 VERDELING VAN WOONRUIMTE
PARAGRAAF 2.1 WERKINGSGEBIED
Artikel 2.1.1 Huurprijs- en koopprijsgrens
Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op:
De situatie waarin een eigenaar meer dan één woonruimte verhuurt;
woonruimten met een huurprijs per maand, die minder bedraagt dan de maximale huurprijsgrens per maand in de wet op de Huurtoeslag, dan wel de daarvoor in de plaats tredende overheidsregeling, zoals deze is of zal worden gewijzigd;
woonruimte met een koopprijs tot aan de maximale koopprijsgrens zoals vastgelegd in artikel 6, lid 3 a, van de (laatste wijziging van de) Wet.
Artikel 2.1.2 Nadere inperking
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1. is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op woonruimte als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de wet met uitzondering van paragraaf 2.8 dat van toepassing is op standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1. is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op onzelfstandige woonruimten.
PARAGRAAF 2.2 INSCHRIJVING WONINGZOEKENDEN
Artikel 2.2.1 Register van woningzoekenden
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en bijhouden van een register van woningzoekenden.
In dit register worden op hun verzoek als woningzoekenden ingeschreven:
de huishoudens die een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1 bezitten;
de huishoudens die in aanmerking komen om op een voordracht als bedoeld in artikel 2.7.3 te
worden geplaatst;
de huishoudens die voldoen aan de toelatingseisen ingevolge paragraaf 2.4.
Artikel 2.2.2 Verzoek om inschrijving
Het verzoek om als woningzoekende te worden ingeschreven in het in het vorige artikel bedoelde register wordt gericht aan burgemeester en wethouders en dient te geschieden met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier.
Artikel 2.2.3 Bewijs van inschrijving
Burgemeester en wethouders verstrekken aan de in het register ingeschreven woningzoekenden een bewijs van inschrijving, waarop staat vermeld:
geregistreerde naam aanvrager, alsmede naam (eventuele) medeaanvrager
geregistreerd adres
geregistreerd inkomen
geregistreerde geboortedatum
geregistreerde Nederlandse nationaliteit of verblijfstitel of nationaliteit van een
gemeenschapsonderdaan (Europese Gemeenschap)
Het bewijs van inschrijving blijft, behoudens het in het derde en vierde lid gestelde, één jaar geldig.
Burgemeester en wethouders stellen de ingeschreven woningzoekenden schriftelijk eenmaal per jaar in de gelegenheid om binnen een door hen te bepalen periode een aanvraag te doen tot verlenging van de inschrijving.
Burgemeester en wethouders beëindigen een inschrijving, indien:
de woningzoekende de beschikking heeft verkregen over passende woonruimte in
Amersfoort of één van de andere gemeenten in de Provincie Utrecht, na bemiddeling
van burgemeester en wethouders.
de woningzoekende niet of niet meer aan de vereisten voor inschrijving voldoet;
de woningzoekende daarom verzoekt;
indien binnen de in lid 3 genoemde periode geen aanvraag is ontvangen.
PARAGRAAF 2.3 HUISVESTINGSVERGUNNING
Artikel 2.3.1 Vergunningvereiste
1. Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte of standplaats, aangewezen
c.q. uitgezonderd in de artikelen 2.1.1 en 2.1.2, in gebruik te nemen voor bewoning.
2.Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte of standplaats voor bewoning in
gebruik te geven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Artikel 2.3.2 Aanvragen van een huisvestingsvergunning
De aanvraag van een huisvestingsvergunning dient schriftelijk en met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier te worden ingediend bij burgemeester en wethouders.
Burgemeester en wethouders zijn gerechtigd om bewijsstukken op te vragen.
Op of bij de huisvestingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de volgende informatie:
de mededeling dat de vergunning vervalt indien er binnen twee maanden na de datum
van afgifte van de huisvestingsvergunning geen gebruik van is gemaakt;
de namen van de personen die als vergunninghouder worden aangemerkt;
Artikel 2.3.3 Criteria voor vergunningverlening
Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
het huishouden dat de huisvestingsvergunning aanvraagt behoort tot de ingevolge paragraaf 2.4
aangewezen categorieën van woningzoekenden die voor het verkrijgen van een huisvestings- vergunning in aanmerking komen;
er is voor de woonruimte geen gegadigde waarvoor met toepassing van het bepaalde in paragraaf 2.6 en 2.7 de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringender noodzakelijk is. Deze voorwaarde is alleen van toepassing indien de woonruimte niet door de eigenaar ervan betrokken wordt.
Het in het vorige lid, sub b, bepaalde blijft buiten toepassing, indien zich een situatie voordoet als aangegeven in artikel 9 van het Besluit.
Artikel 2.3.4 Vruchteloze aanbieding
In afwijking van het in artikel 2.3.3 bepaalde wordt de vergunning voor een koopwoning altijd verleend, indien de woonruimte door de eigenaar overeenkomstig de in leden 2 en 3 weergegeven procedure gedurende 6 weken vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge het eerste lid van artikel 2.3.3 voor die woonruimte in aanmerking komen.
De eigenaar moet de ter verkoop aan te bieden woonruimte in de in het vorige lid genoemde termijn tenminste 2 maal gedurende een periode van 6 weken door middel van een advertentie, geplaatst op internet en/of in één of meer regionale bladen, te huur of te koop hebben aangeboden.
Deze advertentie moet in ieder geval bevatten:
het adres van de woonruimte;
de overeenkomstig artikel 26, lid 2, van de Wet bepaalde huurprijs of koopprijs van de
woonruimte;
de mededeling dat degenen die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.3.3, lid 1, de
voorkeur genieten.
De in het vorige lid genoemde termijn begint te lopen op de datum van plaatsing van de eerste
advertentie die voldoet aan het hier bepaalde.
De in lid 1 bedoelde eigenaar zal worden geacht een vruchteloze poging in de daar bedoelde zin te hebben aangewend wanneer hij aantoont, dat het verschil tussen de hoogst gevraagde koopprijs en de tussen de koper en verkoper overeengekomen koopprijs niet meer bedraagt dan 15% dan wel het verschil tussen de hoogst gevraagde huurprijs en de tussen huurder en verhuurder overeengekomen huurprijs niet meer bedraagt dan 15%.
Voor huurwoningen geldt dat deze minimaal 2 maal conform art. 2.5.1 ter verhuur dienen te zijn aangeboden alvorens een huisvestingsvergunning aan een volgens de criteria niet maatschappelijk of economisch gebonden huishouden verstrekt kan worden.
Artikel 2.3.5 Intrekking
Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien:
de vergunninghouder de er in vermelde woonruimte niet binnen de door burgemeester en wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.
PARAGRAAF 2.4 TOELATING
Artikel 2.4.1 Leeftijd
Ten minste één der leden van het huishouden moet meerderjarig zijn in de zin van de Wet.
Artikel 2.4.2 Economische en maatschappelijke binding
Ten minste één der volwassen leden van het huishouden moet maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de Provincie Utrecht, dan wel in de positie verkeren als aangegeven in artikel 13 c van de Wet;
In afwijking van het eerste lid geldt de eis van economische of maatschappelijke binding niet, indien zich een situatie voordoet als beschreven in artikel 6 van het Besluit.
Verwijzingen
- artikel 2
- artikel 6
- artikel 6
- art. 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 6
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 1
- artikel 26
- artikel 1
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2