Naar hoofdinhoud

Artikel 2.5.3

Bepaling volgorde aanbieding van huurwoningen

Onderdeel van Huisvestingsverordening Amersfoort 2007

Bij de aanbieding van een huurwoning wordt een rangorde gehanteerd. Rangordebepaling: Woningzoekenden met een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1; In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een urgentieverklaring hebben gereageerd gaat de woningzoekende van wie de urgentieverklaring het eerst eindigt voor. In alle overige gevallen, gaat de woningzoekende met de langste inschrijfduur voor. 3. Indien deze woningzoekende de woonruimte niet accepteert, wordt de woonruimte aangeboden aan de volgende op de lijst, enzovoort; 3.In afwijking van het tweede lid kan er bij aanbieding van woningen in serviceflats voor senioren en bij aanleunwoningen worden afgeweken van het volgordecriterium, indien zich een huishouden meldt dat op dat moment in hetzelfde complex een woning huurt. Artikel 2.5.4 Bepaling volgorde aanbieding van nieuwbouwkoopwoningen Vergunningplichtige koopwoningen worden aangeboden conform het bepaalde in artikel 2.5.3 lid 2 sub c. Voor niet-vergunningplichtige woningen beneden de schaarstegrens kunnen burgemeester en wethouders nadere afspraken maken met de verkopende instantie met betrekking tot de volgorde van aanbieding. PARAGRAAF 2.6 AANBIEDING BIJ URGENTIE Artikel 2.6.1 Mate van Urgentie 1.Indien een woningzoekende dringend behoefte heeft aan een (andere) woonruimte, kan hij aan burgemeester en wethouders verzoeken hem een urgentieverklaring te verstrekken, mits: 1.er sprake is van een dusdanige noodsituatie van de woningzoekende dat -in afwijking van de reguliere wachttijd- een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem noodzakelijk is. De urgentieverklaring houdt het volgende in: a. de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende dringend gewenst is en dat burgemeester en wethouders dientengevolge overeenkomstig artikel 2.6.4 bemiddeling kunnen verlenen bij het verkrijgen van (andere) woonruimte; de mededeling dat de bemiddeling beperkt is tot een bepaald soort woonruimte; de mededeling dat binnen drie maanden een aanbieding van woonruimte zal worden gedaan. òf 1. b. de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende in zekere mate gewenst is en dat burgemeester en wethouders dientengevolge bij het verlenen van een huisvestingsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 2.3.3 urgentie zullen verlenen aan de woningzoekende; de mededeling dat de urgentieverlening beperkt is tot een bepaald soort woonruimte; de mededeling dat de urgentieverlening gedurende maximaal zes maanden na de datum van afgifte geldig is. voor situaties als bedoeld in artikel 2.6.3 lid 1 sub d en e geldt; de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende noodzakelijk is en dat burgemeester en wethouders dientengevolge bij het verlenen van een huisvestingsvergunning in aanvulling op het bepaalde in artikel 2.3.3 urgentie zullen verlenen aan de woningzoekende; Burgemeester en wethouders kunnen een urgentie van twee keer zes maanden verlenen. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn verlengen. Artikel 2.6.2 Aanvragen van een urgentieverklaring Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de bepaling van de mate van urgentieverlening aanvullende bewijsstukken vragen. Op of bij de urgentieverklaring vermelden burgemeester en wethouders de inhoud van de urgentieverklaring, zoals bedoeld in artikel 2.6.1. Er kan slechts één maal op basis van dezelfde feiten en omstandigheden een urgentieverklaring aangevraagd worden. Artikel 2.6.3 Criteria voor urgentieverlening Aanleiding voor verlening van een urgentieverklaring als vermeld in artikel 2.6.1 kan bestaan in de volgende situaties, waarbij moet worden voldaan aan de daarbij gestelde criteria: Doelgroepen op grond van dwingend beleidsmatige redenen, waartoe behoren: cliënten van een (hulpverlenings)organisatie waaraan burgemeester en wethouders bij besluit een contingent urgentieverklaringen hebben toegekend. Kandidaten voor een urgentieverklaring dienen voorgedragen te worden door de (hulpverlenings)organisatie. statushouders en asielzoekers die op basis van de taakstelling gehuisvest dienen te worden; sleutelfunctionarissen; situaties van gedwongen verkopen ten behoeve van de ontwikkeling van toekomstige inbreidings- en uitbreidingsgebieden; bewoners uit te saneren stedelijke vernieuwingsgebieden; zij die een dure huurwoning in de Provincie Utrecht verlaten om een goedkopere huurwoning te betrekken, waarbij als voorwaarde geldt dat het huishoudensinkomen te laag is om de huur van de huidige woning te betalen, blijkende uit een woonkostentoeslag. Woningzoekenden waarvoor in het kader van de woonruimteverdeling bijzondere afspraken nodig zijn ten gevolge van eventuele achterstanden of onaanvaardbare situaties op de woningmarkt. Medische indicatie Van medische indicatie is sprake indien, op advies van een door burgemeester en wethouders in te schakelen onafhankelijk medisch adviesorgaan, is vastgesteld dat – in afwijking van de reguliere wachttijd een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem uit medisch oogpunt noodzakelijk is, waarbij een relatie dient te bestaan tussen de medische problematiek en de huidige woonsituatie, en er naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te lossen. Indien in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning verhuizing wordt aanbevolen in verband met moeilijkheden bij het normale gebruik van de woning, vanwege aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, kan urgentie worden verleend, mits verhuizen naar oordeel van burgemeester en wethouders spoedeisend is en de goedkoopst adequate voorziening is. Sociale indicatie Van sociale indicatie is sprake indien, op advies van de hiertoe ingeschakelde Urgentiecommissie, door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat, in afwijking van de reguliere wachttijd, een snellere oplossing van het huisvestingsprobleem uit sociaal oogpunt noodzakelijk is. Hieronder worden de volgende situaties gerekend: Echtscheiding van echtscheiding in de sfeer van urgentie bij de afgifte van een huisvestingsvergunning is slechts sprake, indien: er een rechterlijke (eind-)beschikking is, waarin is bepaald dat het huwelijk is ontbonden; die beschikking in het register van de burgerlijke stand is ingeschreven; uit het huwelijk één of meer kinderen voortkomen, die ten tijde van de inschrijving (ad.b) minderjarig is/zijn en de ouder die de urgentieverklaring aanvraagt (mede) ouderlijk gezag uitoefent over het minderjarige kind/de minderjarige kinderen; deze ouder, het recht dan wel de mogelijkheid ontbeert om de echtelijke woning te blijven bewonen. het verzoek om urgentie ingediend wordt binnen zes maanden nadat de rechterlijke (eind-) beschikking waarin is bepaald dat het huwelijk is ontbonden, in het register van de burgerlijke stand is ingeschreven,; en er naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te lossen; Voor gevallen van "samenleving" worden vermelde criteria, voor zover mogelijk, analoog toegepast. 2.Onaanvaardbare situaties waarbij het moet gaan om ernstige, levensbedreigende problemen in relatie tot de huidige woning. Waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen andere mogelijkheid bestaat om het woonruimteprobleem op te lossen. Burgemeester en wethouders bepalen wanneer er sprake is van een onaanvaardbare situatie. Artikel 2.6.4 Woningaanbieding aan urgentiekandidaten Voor woningzoekenden die beschikken over een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1, lid 2, sub a, kunnen burgemeester en wethouders bemiddelen bij eigenaren van woonruimte, opdat aan hen een overeenkomstig artikel 2.6.1, lid 2, sub a nader omschreven woonruimte binnen de daarvoor gestelde termijn wordt aangeboden. De bemiddeling als bedoeld in lid 1 wordt vorm gegeven in het in paragraaf 2.7 beschreven voordrachtstelsel en/of in de artikel 2.9.1 bedoelde overeenkomsten met eigenaren. Het recht op bemiddeling vervalt nadat de woningzoekende een aanbieding van woonruimte heeft geweigerd. Een woningzoekende die beschikt over een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1 lid 2 sub b, kan zich aanmelden als gegadigde voor een bepaalde leeggekomen woning. Aan hem wordt een huisvestingsvergunning verleend, indien de woonruimte voldoet aan de nader omschreven woonruimte overeenkomstig artikel 2.6.1 lid 2, sub b en er voor de betrokken woonruimte geen gegadigden zijn met een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1,lid 2, sub a. Bij meerdere aanmeldingen van urgentiekandidaten voor een bepaalde leeggekomen woning vindt volgordebepaling plaats aan de hand van de datum afgifte urgentieverklaring. Bij meerdere aanmeldingen van urgentiekandidaten met een urgentieverklaring met een gelijke datum van afgifte voor een bepaalde leeggekomen woning, vindt volgordebepaling plaats aan de hand van de inschrijfduur. Behoudens urgenten vallend onder artikel 2.6.3 lid 1 sub d en e. Voor deze groep geldt volgrodebepaling op grond van woonduur. Artikel 2.6.5 Wijziging, intrekking en verlenging Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op verzoek van de woningzoekende, besluiten de vastgestelde mate van urgentie te wijzigen. Dit wordt ter kennis van de woningzoekende gebracht door middel van de verstrekking van een gewijzigde urgentiesverklaring, waarbij tevens wordt meegedeeld dat het voordien verstrekte bewijs omtrent de mate van urgentie is vervallen. Burgemeester en wethouders kunnen de mate van urgentie terugbrengen cq. laten vervallen, indien: aan de vereisten voor het verkrijgen van urgentie niet meer wordt voldaan; de mate van urgentie is toegekend op grond van gegevens waarvan de woningzoekende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; Indien de termijn waarvoor de urgentie verleend is, is verstreken, gerekend vanaf de datum waarop de urgentie is verleend, en er geen gebruik is gemaakt van de urgentieverlening, vervalt de urgentie van rechtswege. Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring verlengen als zij hebben vastgesteld dat er, gelet op de omstandigheden van degene aan wie zij de urgentieverklaring hebben toegekend, geen woonruimte beschikbaar is geweest gedurende de periode waarvoor de urgentieverklaring is verleend. PARAGRAAF 2.7 LEEGMELDING EN VOORDRACHT Artikel 2.7.1 Melding van het ter beschikking komen De eigenaar van een woonruimte, bedoeld in artikel 2.1.1, is verplicht het ter beschikking komen van die woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden. Het daaromtrent in artikel 18 van de Wet bepaalde is van overeenkomstige toepassing. De eigenaar van een woonruimte kan op grond van een overeenkomst met burgemeester en wethouders afwijken van het in lid 1 bepaalde. Een woonruimte wordt geacht ter beschikking te zijn gekomen, in de gevallen dat: degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar het gebruik daarvan heeft opgezegd; de woonruimte is ontruimd; de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit slechts korte tijd het geval is; op enigerlei andere wijze is gebleken dat de woonruimte te huur of vrij van huur te koop is. De eigenaar dient de burgemeester of door de burgemeester aan te wijzen gemeenteambtenaren in de gelegenheid te stellen de woonruimte te inspecteren ter vaststelling van de in de vorige leden genoemde gegevens. Artikel 2.7.2 Melding van leegstand Zodra de leegstand van een woonruimte langer duurt dan 12 weken, is de eigenaar verplicht daarvan melding te doen aan burgemeester en wethouders. Artikel 2.7.3 Voordracht Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 19, 20 en 21 van de Wet kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een ter beschikking gekomen woonruimte die behoort tot de in artikel 2.7.1, eerste lid, aangewezen categorieën een voordracht tot verhuring van de woonruimte aan een door burgemeester en wethouders aangegeven woningzoekende doen. Voor plaatsing op de in het vorige lid bedoelde voordracht komen in aanmerking de woningzoekenden die beschikken over een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1, lid 2. Binnen 2 weken nadat de eigenaar het ter beschikking komen van de woonruimte heeft gemeld of anderszins is gebleken dat de woonruimte ter beschikking is gekomen zenden burgemeester en wethouders een voordracht van ten hoogste 5 woningzoekenden, of berichten zij aan de eigenaar dat geen voordracht zal worden gedaan. Van de voordracht kunnen de desbetreffende woningzoekenden door burgemeester en wethouders schriftelijk in kennis worden gesteld. Binnen 2 weken na ontvangst van de voordracht dient de eigenaar de woningzoekende(n) te benaderen en burgemeester en wethouders schriftelijk te berichten of met (één van) de voorgedragen woningzoekende(n) een huurovereenkomst afgesloten zal worden. Indien de eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n) weigert, dient hij de reden daarvan aan burgemeester en wethouders te berichten. Indien de voorgedragen woningzoekende(n) de woonruimte weigert (weigeren), of de eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n) om naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde redenen weigert, kan een tweede voordracht worden gedaan binnen 2 weken nadat burgemeester en wethouders van de weigering in kennis zijn gesteld. Voorgedragen woningzoekenden worden geacht geweigerd te hebben, indien zij niet binnen 5 dagen nadat zij van de voordracht in kennis zijn gesteld aan de eigenaar hebben laten weten dat zij de aangeboden woonruimte accepteren. Het bepaalde in artikel 2.3.3., lid 1, sub b blijft buiten toepassing, indien: burgemeester en wethouders hebben bericht dat geen voordracht zal worden gedaan; zij niet binnen de termijn als genoemd in lid 3, sub a. een voordracht hebben gedaan; alle door hen voorgedragen woningzoekenden de aangeboden woonruimte hebben geweigerd. Indien de eigenaar niet binnen de gestelde termijn een bericht als bedoeld in lid 3, sub b heeft gezonden of als hij de voorgedragen woningzoekende(n) zonder naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde reden weigert, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig hoofdstuk IV van de Wet tot vordering van de woonruimte overgaan. PARAGRAAF 2.8 AFWIJKENDE BEPALINGEN VOOR BIJZONDERE WOONVORMEN Artikel 2.8.1 Verbodsbepaling Het is verboden om zonder huisvestingsvergunning van burgemeester en wethouders met een woonwagen een standplaats danwel een ligplaats met een woonschip in gebruik te nemen of bezet te houden. Het is verboden om zonder daartoe over een door burgemeester en wethouders ingevolge artikel 2.8.4 verleende toewijzing te beschikken, met een woonwagen een standplaats in gebruik te nemen of bezet te houden. Het is verboden om zonder daartoe over een door burgemeester en wethouders ingevolge artikel 2.8.5 verleende toewijzing te beschikken, met een woonschip een ligplaats in gebruik te nemen of bezet te houden. Artikel 2.8.2 Aanwijzing van woonwagencentra en standplaatsen Burgemeester en wethouders kunnen, met het oog op de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van deze paragraaf, een terrein aanwijzen als woonwagencentrum. Daarbij stellen zij per woonwagencentrum het maximale aantal standplaatsen vast. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ligplaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken. Daarbij kunnen zij tevens besluiten dat de op dat woonwagencentrum vrijkomende plaatsen niet opnieuw worden toegewezen ingevolge artikel 2.8.4. Indien burgemeester en wethouders besluiten tot intrekking van de aanwijzing van een woonwagencentrum stellen zij tevens een peildatum vast. Artikel 2.8.3 Register voor standplaatszoekenden Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en bijhouden van een per woonwagencentrum gespecificeerd register van standplaatszoekenden. Het register als bedoeld in lid 1 wordt opgenomen in het register als bedoeld in artikel 2.2.1. De standplaatszoekende moet voldoen aan de in paragraaf 2.4 genoemde criteria. Artikel 2.8.4 Aanbieding van standplaatsen 1.Op grond van artikel 2.1.1.b worden vrijkomende vergunningplichtige standplaatsen aangeboden conform het bepaalde in artikel 2.5.3 lid 2 sub c. 2.In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders een vrijkomende standplaats, met voorbijgaan aan de volgorde van inschrijving zoals beschreven in artikel 2.5.3 lid 2 sub c, aangeboden worden aan degenen die vóór de peildatum als hoofdbewoner een standplaats innam op een woonwagencentrum waarvan de aanwijzing ingevolge artikel 2.8.2, derde lid, wordt ingetrokken. 3.Indien het aantal in het tweede lid bedoelde standplaatshouders het aantal vrijkomende standplaatsen overschrijdt, plaatsen burgemeester en wethouders de standplaatshouders in volgorde geplaatst aan de hand van loting. 4.Burgemeester en wethouders wijzen de standplaats toe aan degene die het aanbod accepteert.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel