Burgemeester en wethouders beëindigen een inschrijving voor een standplaats indien:
de ingeschrevene de beschikking heeft verkregen over een standplaats in de gemeente Amersfoort of één van de andere gemeenten in de Provincie Utrecht;
de standplaatszoekende niet meer aan de vereisten voor inschrijving voldoet;
de standplaatszoekende daarom verzoekt.
PARAGRAAF 2.9 ORGANISATIE EN BEVOEGDHEDEN
Artikel 2.9.1 Overeenkomsten
Burgemeester en wethouders kunnen met eigenaren overeenkomsten sluiten over het in gebruik geven van woonruimte, welke overeenkomsten voor het bezit van deze eigenaren een aanvulling vormen op het geheel of delen van deze verordening.
De overeenkomsten dienen een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte te bevorderen. De inhoud van de overeenkomsten wordt in ruime mate bekend gemaakt aan de inwoners van de gemeente en aan andere belanghebbenden.
HOOFDSTUK 3 WIJZIGING VAN DE SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD
PARAGRAAF 3.1 ONTTREKKING, SAMENVOEGING EN OMZETTING
Artikel 3.1.1 Werkingsgebied
Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op alle woonruimte.
Artikel 3.1.2 Vergunningvereiste
Het is verboden om zonder onttrekkingsvergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 3.1.1:
geheel- of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. Onder het onttrekken aan de bestemming tot bewoning wordt in deze verordening verstaan het slopen of het gebruiken voor een ander doel dan permanente bewoning door een huishouden;
met andere woonruimte samen te voegen;
van zelfstandige in onzelfstandige woonruimten om te zetten.
Artikel 3.1.3 Aanvragen van een onttrekkingsvergunning
De aanvraag van een onttrekkingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de volgende informatie en bewijsstukken:
Naam en adres van de eigenaar;
Gegevens over de huidige situatie:
huur- of koopprijs;
aantal kamers;
woonoppervlak;
Gegevens over de beoogde situatie:
bestemming;
bouwtekening/bouwvergunning;
compensatievoorstel;
Gegevens bij voorgenomen samenvoeging:
verwachte huur- of koopprijs;
naam van toekomstige bewoner;
omvang van het huishouden van de toekomstige bewoners;
schriftelijke verklaring van toestemming van de betrokken huurder(s);
Burgemeester en wethouders kunnen bij de beoordeling van aanvragen tot onttrekking ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf advies inwinnen bij de Kamer van Koophandel.
Bij de beoordeling van aanvragen tot onttrekking ten behoeve van de praktijkuitoefening door officieel erkende medici of paramedici kunnen burgemeester en wethouders het advies inwinnen van de Adviescommissie Huisvesting Beoefenaars van Medische en Paramedische Beroepen.
Op of bij de onttrekkingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de volgende informatie:
de mededeling dat binnen één jaar van de onttrekkingsvergunning gebruik gemaakt
kan worden;
de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;
de opgelegde compensatie;
Burgemeester en Wethouders kunnen een vergunning verlenen voor tijdelijke onttrekking, indien de onttrekking voorziet in een tijdelijke behoefte.
Artikel 3.1.4 Criteria voor vergunningverlening
Burgemeester en wethouders verlenen de onttrekkingsvergunning, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad.
Indien de aanvraag betrekking heeft op samenvoeging of omzetting van woonruimte en één of meer van de betrokken woonruimten een huur- of koopprijs heeft beneden de huur- of koopprijsgrens en er, ongeacht de nieuwe huur- of koopprijs, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende compensatie als bedoeld in artikel 3.1.5 wordt geboden, wordt de onttrekkingsvergunning in ieder geval verleend, indien:
de samenvoeging of omzetting een woonruimte oplevert met een huur- of koopprijs beneden de huur- of koopprijsgrens, of
bij samenvoeging de vergunningaanvrager eigenaar-bewoner is, de bestemming tot bewoning gehandhaafd blijft.
Indien burgemeester en wethouders hebben vastgesteld, dat zowel het belang van de aanvrager als het belang van de volkshuisvesting zwaar wegen, of dat het belang van de aanvrager niet opweegt tegen het belang van de volkshuisvesting, wordt de onttrekkingsvergunning verleend, indien voldoende compensatie als bedoeld in artikel 3.1.5. wordt geboden en overigens aan door burgemeester en wethouders gestelde voorwaarden en voorschriften is voldaan.
Artikel 3.1.5 Compensatie
Compensatie kan worden geboden door het toevoegen aan de woningvoorraad van andere, vervangende woonruimte, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gelijkwaardig is aan de te onttrekken woonruimte.
Compensatie kan ook worden geboden door betaling van compensatiegeld. Daarbij gelden de volgende prijzen:
in geval van onttrekking aan de woonbestemming: € 2.300,- per onttrokken
woonruimte
in geval van samenvoeging of omzetting van woonruimte: € 2.300,- per
samengevoegde of omgezette woonruimte
Het fonds dat door deze compensatiegelden wordt gevormd kan uitsluitend binnen het kader van de Volkshuisvesting worden aangewend.
Artikel 3.1.6 Intrekking
Burgemeester en wethouders kunnen een onttrekkingsvergunning intrekken, indien:
niet binnen één jaar, nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging of omzetting, onderscheidenlijk tot overschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.
Artikel 3.1.7 Verzegeling
Indien sprake is van het gebruik van woonruimte zonder onttrekkingsvergunning anders dan voor permanente bewoning, kunnen burgemeester en wethouders de woonruimte verzegelen. Deze verzegeling wordt opgeheven op het moment dat de woonruimte in gebruik genomen wordt voor bewoning, of dat de woonruimte door verhuur of verkoop opnieuw voor bewoning wordt bestemd, of indien alsnog een onttrekkingsvergunning wordt verleend.
PARAGRAAF 3.2 SPLITSING IN APPARTEMENTSRECHTEN
Artikel 3.2.1 Werkingsgebied
Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op gebouwen, bevattende woonruimte, uitgezonderd nieuw te bouwen koopappartementen;
Artikel 3.2.2 Vergunningvereiste
Het is verboden om zonder splitsingsvergunning een recht op een gebouw, aangewezen in artikel -3.2.1, te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en derde lid, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deelnemings- of lidmaat-schapsrechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot een gebouw als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.2.3 Aanvragen van een splitsingsvergunning
De aanvraag van een splitsingsvergunning wordt ingediend bij burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de volgende stukken:
een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109 van Boek
5 van het Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde Besluit
betreffende splitsing in appartementsrechten, en
een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte
bestemde gedeelten van het gebouw, opgemaakt door een beëdigd makelaar. Dit
rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de
onderhoudstoestand van het gebouw. Op of bij de splitsingsvergunning vermelden
burgemeester en wethouders de volgende informatie:
de mededeling dat binnen één jaar van de splitsingsvergunning gebruik gemaakt
kan worden;
het gebouwd onroerend goed waarop de splitsing betrekking heeft.
Artikel 3.2.4 Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning
Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning weigeren, indien:
het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die verhuurd worden of die laatstelijk verhuurd zijn geweest, dan wel, indien het gebouw of het gedeelte van een gebouw, voor zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd is met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1985, 626) of met enig wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik genomen,
de aanvrager niet kan waarborgen, dat de woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven, c.q. de voormalige woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur ter bewoning, en
het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft niet op weegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor de verhuur is bestemd. Hierbij wordt mede de ligging en de te verwachten vraag naar de in het betreffende gebouw of een gedeelte van het gebouw opgenomen woonruimten betrokken.
Burgemeester en wethouders kunnen eveneens een splitsingsvergunning weigeren, indien:
voor het gebied waarin het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft is gelegen, een stedelijk vernieuwingsgebied, dan wel een ontwerp voor zodanig plan of zodanige verordening of voor een herziening daarvan in procedure is,
het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag van de splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens artikel 3.2.5 is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd,
de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester en wethouders nadelige gevolgen heeft voor de met het plan of de -verordening nagestreefde of na te streven doeleinden en
het belang dat de vergunningaanvrager bij de splitsing heeft, niet op weegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing.
Burgemeester en wethouders kunnen tenslotte een splitsingsvergunning weigeren, indien:
de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet en
de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven.
Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake indien:
burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 14 tot en met 25 van de Woningwet een aanschrijving hebben gedaan en deze aanschrijving nog niet is uitgevoerd;
het gebouw, waarop de aanvraag om een splitsingsvergunning betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat, die ingevolge de artikelen 29 tot en met 38 van de Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard.
Artikel 3.2.5 Aanhouding van de splitsingsaanvraag
Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag van een splitsingsvergunning aan, indien:
voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft een
voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht
is met het oog op de voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van een herziening
daarvan,
dat besluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning werd ingediend en
redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen splitsing.
De aanhouding als bedoeld in het vorige lid duurt tot het moment dat het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vervallen.
Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning aanhouden, indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij binnen een daarvoor redelijke termijn de gebreken, als bedoeld in artikel 3.2.4, lid 3 met het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen.
Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid aanhouden, vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met het oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen welke termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit tot aanhouding vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit aangegeven termijn, wordt de vergunning verleend .
Artikel 3.2.6 Intrekking
Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning intrekken, indien:
niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot overschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.
HOOFDSTUK 4 VERDERE BEPALINGEN
Artikel 4.1 Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.
Artikel 4.2 Strafbepaling
Hij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2.3.1, 2.7.1, 2.7.2, 2.8.1, 3.1.2 of 3.2.2 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de derde categorie. De genoemde strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 4.3 Handhaving
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
Met de opsporing van de bij artikel 4.2 strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en de in artikel 75 van de Wet aangewezen ambtenaren belast de in het eerste lid genoemde ambtenaren, voor zover zij door de minister van justitie daartoe zijn aangewezen.
De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheden als genoemd in artikel 76, 77 en 78 van de Wet.
Artikel 4.4 Restbepaling
In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen burgemeester en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend zullen laten leiden door overwegingen betrekking hebbende op de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte en het in de Huisvestingsverordening bepaalde.
Artikel 4.5 Overleg bij wijziging
Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze verordening plegen burgemeester en wethouders overleg met de in de gemeente werkzame, ingevolge artikel 70, eerste lid, of artikel 72, eerste lid, van de Woningwet (Stb 1991, 439) toegelaten instellingen en met andere daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de gemeente op het gebied van de woonruimteverdeling werkzaam zijn.
Artikel 4.6 Nadere regels
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot een goede en rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte in de gemeente Amersfoort en het in de Huisvestingsverordening bepaalde.
HOOFDSTUK 5 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 5.1 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als Huisvestingsverordening Amersfoort 2007.
Artikel 5.2 Inwerkingtreding
1.Deze verordening treedt in werking op 4 april 2007. Op deze datum wordt de Huisvestingsverordening 2004 ingetrokken.
2.De intrekking van de huisvestingsverordening Amersfoort 2004 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van vergunningen of ontheffingen –hoe ook genaamd- dan wel krachtens die verordening gestelde beleidsregels, voorschriften en beperkingen – hoe ook genaamd.
3.Op een aanvraag om vergunning of ontheffing, een verzoek om inschrijving, verlening van urgentie of toestemming anderszins, welke is ingediend voor het tijdstip waarop deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet onherroepelijk is beschikt, zijn blijven de bepalingen van de huisvestingsverordening die golden op het moment van indiening van het verzoek van toepassing, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 13 februari 2007.
De griffier, De voorzitter,
PUBLICATIEDATUM:
Artikel 2.8.6
Vervallen van inschrijving voor een standplaats
Onderdeel van Huisvestingsverordening Amersfoort 2007
Verwijzingen
- artikel 70
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 4
- artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 3
- artikel 76
- artikel 106
- Artikel 3
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 4
- artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek
- Artikel 3
- Artikel 3
- artikel 3
- artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek
- artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 5
- artikel 72
- Artikel 2
- artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
- artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 4
- artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek
- Artikel 3
- artikel 4