Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 9

- Gebruik van dienstvoertuigen

Onderdeel van Regeling gebruik dienstvoertuigen gemeente Den Helder

9.1 Algemeen 9.1.1 De medewerker is verplicht het dienstvoertuig zorgvuldig te gebruiken in overeenstemming met de geldende verkeersregels, overige overheidsvoorschriften en de hem/haar gegeven gebruiks- en onderhoudsvoorschriften en richtlijnen. 9.1.2 De medewerker die gebruik maakt van een dienstvoertuig moet (medisch/fysiek) in staat zijn om het dienstvoertuig te besturen. 9.1.3 De schade (van welke aard dan ook) die voortvloeien uit het aantoonbaar gebruik van middelen die de rijvaardigheid beïnvloeden (zoals alcohol, medicijnen, verdovende middelen) zijn steeds voor rekening van de gebruiker. 9.1.4 De medewerker mag het dienstvoertuig alleen gebruiken voor het rijden van dienstreizen. Privé-kilometers en/of woon-werkverkeer is niet toegestaan met het dienstvoertuig. Deelname aan behendigheidsproeven, wedstrijden e.a. zijn niet toegestaan. 9.1.5 Het is de medewerker niet toegestaan het dienstvoertuig te vervreemden, te belenen, te verpanden, te verhuren, in onderhuur te geven of personen tegen betaling te vervoeren. 9.1.6. Boetes wegens verkeersovertredingen begaan door de bestuurder van een dienstvoertuig worden door de gemeente Den Helder in rekening gebracht bij deze bestuurder. Deze boetes zijn niet te verhalen/declareren bij de werkgever. 9.1.7 Het is niet toegestaan in het dienstvoertuig te roken, te eten en/of drinken of gebruik te maken van een mobiele telefoon zonder handsfreeoptie. 9.1.8 De medewerker kijkt vóór het gebruik van het dienstvoertuig of deze niet beschadigd is; deze van binnen opgeruimd is; het voertuigenboek (met tankpas/laadpas, het onderhoudsboekje, de groene kaart (verzekering), Europees schadeformulier en de bestuurdershandleiding) aanwezig is; de tank van het dienstvoertuig minstens half vol is, of het elektrische dienstvoertuig (de accu) voldoende opgeladen is. 9.1.9 In het geval de medewerker één of meerdere onvolkomenheden constateert, meldt hij / zij dit vóór het wegrijden bij de wagenparkbeheerder. Voor de deelauto moet dit ook gemeld worden als van de WeGo app gebruik wordt gemaakt. 9.1.10 De medewerker die een dienstvoertuig heeft gebruikt die rijdt op een fossiele brandstof (benzine/diesel), zorgt er voor dat de tank minstens half vol is aan het eind van de dienstrit. Is dit niet het geval, dan moet het dienstvoertuig worden afgetankt. Indien gereserveerd is met de WeGo app staat ook in de reserveringsbevestiging de pincode voor de brandstofpas. 9.1.11 De medewerker die een elektrische dienstvoertuig heeft gebruikt, sluit deze na terugkomst aan op een laadpaal. Hij/zij controleert of de auto goed gekoppeld is aan de laadpaal en dat het laden van de batterij plaatsvindt. 9.1.12 De medewerker parkeert het dienstvoertuig bij terugkomst op de gemeentelijke locatie in de hiervoor aangegeven parkeervakken en/of wagenparkloods/garages. 9.1.13 De medewerker ruimt de binnenkant van het dienstvoertuig op en haalt onder andere alle persoonlijke bezittingen en werkgerelateerde zaken uit de auto. 9.1.14 De gevolgen voor het niet volgen van de verkeersregels zijn voor rekening van de gebruiker 9.1.15 De medewerker gebruikt het dienstvoertuig zo efficiënt mogelijk. Hier wordt onder meer onder verstaan het plannen van de ritten en het zuinig rijden. 9.1.16 Indien ten behoeve van een dienstreis een dienstvoertuig op een plek wordt geparkeerd die geld kost of van een veerpont gebruik gemaakt moet worden, dan kunnen deze kosten gedeclareerd worden via het reiskostendeclaratieformulier. 9.2 Deelauto’s 9.2.1 De medewerker reserveert de deelauto via het reserveringssysteem. 9.2.2 Met het reserveren en gebruiken van de deelauto accepteert de medewerker automatisch de regeling gebruik dienstvoertuigen . De medewerker is zelf verantwoordelijk om kennis te nemen van de inhoud van deze regeling. 9.2.3 Het reserveren van een deelauto kan maximaal 4 weken van te voren plaats vinden. 9.2.4 Elke medewerker kan maximaal 5 reserveringen tegelijkertijd maken. Dit om te voorkomen dat auto’s worden geclaimd door structureel één en dezelfde medewerker. 9.2.5 Tot 15 minuten voor vertrek kan: een deelauto worden gereserveerd via het reserveringssysteem; de reservering worden gewijzigd; de reservering worden geannuleerd. 9.2.6 Mocht een reservering niet doorgaan, dan moet dit zo snel mogelijk via het reserveringssysteem worden geannuleerd. Zo komt de deelauto weer vrij voor andere medewerkers. 9.2.7 Indien een medewerker tenminste een half uur eerder terug is van zijn dienstreis dan in het reserveringssysteem staat opgenomen, kan hij/zij de deelauto in het reserveringssysteem weer vrij geven. 9.2.8 Bij het maken van een reservering moet altijd rekening worden gehouden met eventueel uitloop van het gebruik van de deelauto, bijvoorbeeld omdat een vergadering kan uitlopen of omdat de rit er naar toe wellicht tot vertraging kan leiden etc. 9.2.9 Als een deelauto 30 minuten na de begintijd van de reservering niet in gebruik is, wordt de auto door de wagenparkbeheerder weer vrijgegeven voor een nieuwe reservering. 9.2.10 Mocht de medewerker die gebruik maakt van een deelauto onverhoopt toch later terugkomen dan de gereserveerde tijdsperiode, dan neemt hij/zij zo snel mogelijk contact op met het Servicepunt (8383) of bodedienst (8213/8214). 9.2.11.Alleen een medewerker die de reservering van een deelauto gemaakt heeft, mag deze besturen op de gereserveerde datum en in het gereserveerde tijdslot. Het is niet toegestaan andere personen de deelauto te laten rijden tenzij er sprake is van een aantoonbare noodsituatie of calamiteit. De medewerker die de reservering heeft gedaan blijft altijd verantwoordelijk. 9.2.12 Na gebruik van de deelauto sluit de medewerker de deelauto af door middel van de App of SMS en controleert de deelauto op eventuele schade. 9.2.13 Het voertuigenboek inclusief alle formulieren, tank- of laadpas moet in de deelauto blijven. 9.3 Overige dienstvoertuigen 9.3.1 Elke gebruiker zorgt er voor dat het voertuigenboek en de mobiele telefoon behorend bij het dienstvoertuig in het dienstvoertuig aanwezig zijn. 9.3.2 Naast de al in 9.1.8 genoemde taken, kijkt de medewerker voor het gebruik van het dienstvoertuig of: het oliepeil van het voertuig goed is; het koelvloeistofsysteem op peil is; het ruitenwisservloeistofpeil op orde is; een net aanwezig is op het voertuig om de lading te zekeren; de veiligheidshulpmiddelen aanwezig en gekeurd zijn ( verbanddoos, brandblusser, life hammer); de bandenspanning in orde is. 9.3.3 De medewerker opent/sluit de auto door middel van de sleutel. 9.3.4 De medewerker levert de sleutel en het voertuigenboek in bij wagenparkbeheerder en/of uitvoerder van Stadsbeheer team Wijkbeheer na einde dienstrit.

Rechtspraak bij dit artikel