De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk twee kalendermaanden na
de op het aanslagbiljet vermelde dagtekening.
In afwijking van het eerste lid kunnen op verzoek van de
belastingplichtige de aanslagen worden betaald in zoveel gelijke
termijnen als er na de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden
in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal
termijnen ten minste twee bedraagt en maximaal 10, indien aan het
navolgende wordt voldaan:
het totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde
aanslagen onroerende zaakbelastingen of andere belastingen
moet minder zijn dan € 6.500,--;
de verschuldigde bedragen moeten door middel van
automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de
belastingschuldige kunnen worden afgeschreven.
De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het
aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
voorgaande leden gestelde termijnen.