**1..** Het college weigert op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:
**a..** aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
**b..** de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
**2..** De verlaging bedraagt 100% van de bruto grondslag.
Hoofdstuk 2.
Artikel 10.
Gedragingen op grond waarvan een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ blijvend wordt geweigerd
Onderdeel van Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017