**1..** In geval van onverantwoord snelle intering van het vermogen wordt een verlaging van 20% van de bijstandsnorm opgelegd voor de periode dat eerder of langer uitkering is verstrekt dan redelijkerwijs nodig zou zijn geweest, met een maximum van 24 maanden.
**2..** In overige gevallen wordt een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet afgestemd op het benadelingsbedrag.
**3..** De verlaging ingevolge het tweede lid wordt vastgesteld op:
20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2000,-;
50 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000,- tot € 4000,-;
100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 4000,-.
**4..** De verlaging wordt vastgesteld op 100 % van de bijstandsnorm gedurende een maand indien er sprake is van door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaand aan de bijstand.
**5..** In combinatie met de verlaging van lid 4 is het mogelijk om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken op grond van artikel 48 lid 2 sub b van de Participatiewet.
Hoofdstuk 4.
Artikel 13.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017