**1..** Het college van burgemeester en wethouders draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg voor:
het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de gemeenteraad vastgestelde kaders van de begroting uit te kunnen voeren;
het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie zoals renterisico’s en kredietrisico’s;
het beperken van de kosten van de leningen en het bereiken van een voldoende rendement op de uitzettingen;
dat in geval van uitzettingen van overtollige middelen het rendement ondergeschikt is aan het beperken van het risico;
het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.
**2..** Het college van burgemeester en wethouders neemt bij het uitvoeren van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen in acht:
het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt uitsluitend bij het Rijk of in Nederland gevestigde financiële instellingen. Voor uitzettingen korter dan 3 maanden geldt minimaal als ratingeis AA, voor uitzettingen langer dan 3 maanden geldt AAA. De rating dient te zijn toegekend door tenminste 2 gezaghebbende ratingbureaus;
overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd intact is;
er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden;
voor het aantrekken van financieringen voor langer dan 1 jaar worden tenminste 2 prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;
overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen of het verlenen van garanties luiden in euro’s;
voor de kasgeldlimiet geldt de wettelijke waarde, voor de renterisiconorm wordt in plaats van de wettelijke waarde van een normpercentage van 10 uitgegaan;
de gemeente hanteert het uitgangspunt van integrale financiering. Dit houdt in dat er geen specifieke geldleningen voor bepaalde activa worden aangetrokken;
de rekening-courantfaciliteit bedraagt maximaal twee maal de kasgeldlimiet;
het college van burgemeester en wethouders is geautoriseerd om jaarlijks langlopende geldleningen aan te trekken tot maximaal 25% van het begrotingsvolume volgens de primitieve begroting.
De Auditcommissie wordt binnen een maand na het aantrekken van een nieuwe geldlening door burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte gesteld door middel van een memorandum met daarin minimaal de volgende gegevens: naam geldverstrekker, bedrag, rentepercentage, looptijd, aflossingswijze en aanleiding.