In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.
De jeugdhulpaanbieder dient zich bij de beoordeling te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. De aanbieder moet bijvoorbeeld aan de gemeente melden dat een kind is doorverwezen door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In uitzonderlijke gevallen kan het college een besluit nemen dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder.
Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.
Om aan dit artikel uitvoering te kunnen geven wordt van de rechtmatig doorverwijzende partijen verwacht dat zij van de doorverwijzing een melding doen bij het college (artikel 3 lid 2). Dit maakt het ook mogelijk dat afstemming tot stand kan komen tussen bijv. huisarts en generalistenteam gericht op integrale benadering van de hulpvraag (één plan met één aanspreekpunt) van de jeugdige.
Artikel 3.
Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Doetinchem 2017