In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen, inclusief het pgb. Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het al of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige of andere voorziening, goed te beoordelen. Dit is vastgelegd in artikel 5a en artikel 5b, lid 1. Lid 2 heeft betrekking op de beoordeling van de kwaliteit van de in te zetten hulp gefinancierd vanuit een pgb.
In lid 3 van dit artikel zijn specifieke bepalingen voor de hoogte van het pgb opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan artikel 8.1.1 lid 3 Jeugdwet. In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. In lid 4 wordt bepaald dat het College in het besluit maatschappelijke ondersteuning de hoogte van de tarieven vaststelt.
In lid 5 wordt vervolgens gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Deze voorwaarden strekken er onder andere toe om te verhinderen dat een pgb wordt verstrekt aan een jeugdige die hier onder druk van mensen in zijn omgeving om heeft verzocht en bij wie een werkelijke hulpbehoefte niet aantoonbaar is of bij wie de hulpvraag ondergeschikt is aan financieel gewin. Daarnaast is uit het oogpunt van kwaliteit een voorwaarde met betrekking tot een verklaring omtrent gedrag toegevoegd.