Aan het recht op een persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen verbonden:
het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht;
uit het persoonsgebonden budget mogen in ieder geval geen administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangbehartigers worden betaald;
het persoonsgebonden budget wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een langere termijn hanteren;
de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting.
de cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend voor de inkoop van diensten komt met de degene die de diensten levert een schriftelijke overeenkomst overeen, waarin ten minste afspraken zijn opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning en de wijze van declareren. De cliënt maakt daarbij gebruik van de overeenkomsten die de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking stelt.
het college kan andere eisen stellen aan de in de in onderdeel e bedoelde overeenkomst, indien het persoonsgebonden budget wordt besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of aan een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt.
het college kan een programma van eisen vaststellen waarin in ieder geval eisen opgenomen kunnen worden waaraan een hulpmiddel, vervoersvoorziening of woningaanpassing moet voldoen.
Hoofdstuk 5:
Artikel 5.2