Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 7

– Ingangsdatum en tijdvak

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ Leidschendam-Voorburg 2010

1.. De maatregel of de weigering wordt opgelegd binnen twee maanden volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel of de weigering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. 2.. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel of de weigering met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 3.. Indien de uitkering wordt beëindigd dient bij de beëindiging een afstemmingsonderzoek plaats te vinden waarbij indien van toepassing de maatregel wordt opgelegd. In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel of de verlaging binnen twaalf maanden bij toekomstige uitkering alsnog ten uitvoer worden gelegd. 4.. Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat met de tenuitvoerlegging is begonnen heroverwogen. Steeds indien besloten wordt de maatregel te continueren dient na maximaal drie maanden een herbeoordeling plaats te vinden. De belanghebbende wordt schriftelijk mededeling gedaan van de heroverweging. 5.. Een tijdelijke weigering wordt voor bepaalde tijd opgelegd. De duur van de tijdelijke weigering wordt gekoppeld aan de (resterende) duur en de hoogte van het beëindigde of misgelopen dienstverband, met een maximum van zes maanden. 6.. Een blijvende weigering wordt voor onbepaalde tijd opgelegd. Een blijvende weigering is een ultimum remedium en wordt pas opgelegd, indien al eerder tweemaal een tijdelijke weigering heeft plaatsgevonden.

Rechtspraak bij dit artikel