Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 of 55 van de WWB, artikel 13 of 20, tweede lid, van de IOAW, of artikel 13 of 20, tweede lid, van de IOAZ niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
Eerste categorie: het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersvoorzieningen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.
Tweede categorie:
Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;
het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van een participatievoorziening;
gedragingen die de inschakeling van een participatievoorziening belemmeren;
het niet voldoen aan de verplichtingen die strekken tot participatie en die zijn opgelegd op grond van artikel 55 WWB;
het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van een trajectplan.
Derde categorie:
het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op participatie, waaronder re-integratie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid, dan wel artikel 55 WWB, of
het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op participatie, waaronder re-integratie als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW dan wel artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ.
Vierde categorie:
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het door eigen toedoen niet behouden van een dienstbetrekking in het kader van de WSW.
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
Het zich ernstig misdragen tegenover derden, waaronder wordt verstaan het gebruiken van mensgericht fysiek geweld, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met participatie.
Hoofdstuk 2
Artikel 9
– Indeling in categorieën
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ Leidschendam-Voorburg 2010