Naar hoofdinhoud
1.. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken, anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 2.. Het verbod is niet van toepassing op: voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; evenementen als bedoeld in artikel 2.24; terrassen als bedoeld in artikel, vijfde lid; standplaatsen als bedoeld in artikel. 3.. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen, waarvoor onder nader te bepalen algemene voorwaarden, het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt. 4.. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.. Onverminderd artikel kan de vergunning, zoals bedoeld in het eerste of vierde lid, worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6.. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale wegenverordening. 7.. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel