Indien belanghebbende de op grond van de artikel 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten berekende boete wegens financiële omstandigheden niet in één keer kan betalen, wordt de maximale hoogte van de op te leggen boete als volgt bepaald:
Bij opzet bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 24 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete,
Bij grove schuld bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 18 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete.
Bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete.
Bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 6 maal het voor beslag vatbare deel van het inkomen van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete.
Bij recidive zoals bedoeld in artikel 2, onder c en d, bedraagt de maximale boete een bedrag van 150% van de uitkomsten, voorafgaand aan afronding, van de op grond van de onderdelen a tot en met d van dit artikel gemaakte berekeningen.
Indien ten tijde van het opleggen van de boete blijkt dat er bij belanghebbende sprake is van aangetoond vermogen, dan kan er van uitgegaan worden dat dat aangetoonde vermogen geheel beschikbaar is om de boete zoals vastgesteld op grond van de artikel 2 van het Boetebesluit te voldoen. Het deel van de boete dat het totaalbedrag van het aangetoonde vermogen overschrijdt kan op grond van a t/m e van dit artikel worden afgestemd;
Indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete andere inkomsten heeft dan een uitkering en géén medewerking verleent om inzicht te bieden in de hoogte van de inkomsten, dan wordt de boete uitsluitend op grond van de artikel 2 van het Boetebesluit vastgesteld;
Indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete een uitkering heeft op grond van de IOAW of de IOAZ, dan wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de bijstandsnorm die op belanghebbende van toepassing zou zijn indien belanghebbende een uitkering op grond van de Participatiewet zou ontvangen.
Artikel 4.