Naar hoofdinhoud
Dit artikel is een wijziging van artikel 4 van de Beleidsregels 2014. lid 1) Aflossen op een vordering vindt nadrukkelijk zoveel mogelijk in een keer plaats binnen zes weken (op grond van de Algemene wet bestuursrecht), alvorens een maandelijkse aflossingsregeling wordt getroffen. lid 2) Het eigen vermogen van de debiteur moet zoveel mogelijk worden aangewend voor de aflossing. Vermogen tot 2.000 euro wordt vrijgelaten; reden is dat de debiteur dit als reserve kan aanhouden voor onverwachte kosten van levensonderhoud, waar anders een beroep op bijzondere bijstand nodig zou zijn; Bij schenden van de inlichtingenplicht met betrekking tot vermogen en/of inkomen is de vrijlating niet van toepassing om te voorkomen dat de schending lucratief is. Ad artikel 9 Terugbetalen via minnelijke betalingsregeling Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 5 van de Beleidsregels 2014, met dien verstande dat in het derde lid (aflossen op recidive boete) niet langer wordt verwezen naar de Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Den Haag, omdat dit geen onderwerp van de verordening meer is. Nu wordt rechtstreeks verwezen naar artikel 60b van de Participatiewet. lid 1) a) Debiteuren met een bijstandsuitkering lossen af met de financiële ruimte tussen het inkomen en de wettelijke beslagvrije voet. b) Zolang het college niet beschikt over de gegevens ter berekening van de wettelijke beslagvrije voet, geldt een beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm van de belanghebbende ( en dus een maandelijkse aflossing van 10% van deze bijstandsnorm ). lid 2) Uitgangspunt is dat het aflossingsregime de uitstroom uit de bijstand niet belemmert. Immers, zolang de debiteur in de bijstand blijft kan het maandelijkse aflossingsbedrag nagenoeg op nihil uitkomen door de toepassing van de wettelijke beslagvrije voet. Daarom is het van belang dat bijstandsgerechtigden zoveel mogelijk uitstromen naar werk, zodat maandelijks uiteindelijk substantieel afgelost kan worden. Na uitstroom uit de bijstand is er sprake van inkomen en/of vermogen, zodat er meer financiële ruimte is om een vordering terug te betalen. Echter, ter stimulering van uitstroom, hoeft de debiteur niet alle extra financiële ruimte te gebruiken voor de aflossing. a)In eerste instantie kan een onderhandeling plaatsvinden met de debiteur over het bedrag dat hij maandelijks kan aflossen; hiervoor geldt geen maximumbedrag, mits de overeenkomst maar op basis van vrijwilligheid tot stand is gekomen. b) Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet in elk geval een vastgesteld minimum worden afgelost: 1º) Om voor bijstandsgerechtigden met een lopende aflossing de drempel tot uitstroom te verlagen, laat het college na uitstroom uit de bijstand bij een vordering niet als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht 65% van de maandelijkse aflossingsruimte (ruimte tussen het netto inkomen en de beslagvrije voet) vrij. Men hoeft na uitstroom dus slechts 35% van de maandelijkse aflossingsruimte af te lossen. 2º) Bij een vordering als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht laat het college na uitstroom uit de bijstand de helft van de ruimte (50%) vrij van aflossing. Hier is dus ook nog sprake van een substantiële vrijlating van het inkomen. Om een contrast aan te brengen met vorderingen, niet het gevolg van schenden van de inlichtingenplicht, ligt het vrijlatingspercentage bij vorderingen als gevolg van schenden van de inlichtingenplicht 15% lager. De bepaling onder b) is alleen van toepassing als er sprake is van volledige uitstroom uit de bijstand.Bij een aanvullende bijstand is de bepaling onder a) van toepassing. lid 3) Bij recidive boetes is lid 2 niet van toepassing maar verrekent het college de boete gedurende drie maanden met de bijstandsuitkering.

Rechtspraak bij dit artikel