Naar hoofdinhoud
1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 36 van de P-wet komt in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag de belanghebbende die gedurende een onafgebroken periode van 36 maanden, voorafgaand aan de datum van aanvraag, een inkomen had dat gemiddeld per maand niet hoger was dan 105% van de voor hem geldende bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de P-wet. 2.. Indien een echtgenoot of partner van belanghebbende op datum van aanvraag is uitgesloten van het recht op algemene bijstand op grond van artikel 11 of artikel 13 van de P-wet, komt de andere echtgenoot of partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor het gezin of alleenstaande ouder zou gelden zonder aanwezigheid van de niet rechthebbende echtgenoot of partner. 3.. De echtgenoot of partner die is uitgesloten van het recht op bijstand moet voor de overige voorwaarden over de afgelopen drie jaar voor datum aanvraag voldoen aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid van dit artikel. 4.. Belanghebbende en eventuele partner moeten voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze verordening en de bepalingen genoemd in de beleidsregel Individuele inkomenstoeslag Participatiewet Schagen 2015. 5.. Belanghebbenden die voltijds studeren hebben geen recht op een individuele inkomenstoeslag, omdat zij kans hebben om hun inkomen te verbeteren. 6.. Belanghebbenden die voltijds gestudeerd hebben, hebben binnen drie jaar na beëindiging van de studie geen recht op een individuele inkomenstoeslag omdat er van mag worden uitgegaan dat de kans om het inkomen te verbeteren gedurende drie jaren na de studie aanwezig is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel