Naar hoofdinhoud
1.. Voor toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan dan wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen; vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel uitmaakt van een kampeerterrein en dat ter beschikking wordt gesteld voor de plaatsing van eenzelfde kampeermiddel of stacaravan gedurende een seizoen of een jaar; losse standplaats: een terrein of terreingedeelte dat deel uitmaakt van een kampeerterrein en dat ter beschikking wordt gesteld voor het volgtijdig plaatsen van verschillende kampeermiddelen; seizoen <7 maanden: belastingtijdvak waarin het belastbare feit zich voordoet. Het belastingtijdvak wordt door het college van burgemeester en wethouders voor aanvang van het betreffende belastingtijdvak bekendgemaakt; vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, waaronder hotels, motels, pensions, bungalows en appartementen(hotels), jeugdherbergen, vakantieboerderijen en dergelijke ruimten, niet zijnde kampeermiddelen; woning: een huis, een naar aard en inrichting vergelijkbare ander onderkomen of een deel van een huis of een vergelijkbaar onderkomen; particulier: een natuurlijk persoon die buiten de uitoefening van een bedrijf of beroep gelegenheid biedt tot verblijf; particulier verhuurde woning: een woning die door een particulier ter beschikking wordt gesteld voor het houden van verblijf met overnachting tegen een vergoeding in welke vorm dan ook. 2.. Voor vakantieonderkomens, woningen en voor kampeermiddelen op vaste of losse standplaatsen kan het aantal overnachtingen op een bij de aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige forfaitair worden vastgesteld. 3.. Bij de forfaitaire berekening voor vakantieonderkomens en woningen wordt per onderkomen of woning : het aantal overnachtende personen gesteld op het aantal slaapplaatsen; - het ‘seizoen <7 maanden’ bepaald op 89 dagen; - voor de periode > 7 maanden bepaald op 106 dagen; 4.. Bij de forfaitaire berekening voor kampeermiddelen op vaste standplaatsen wordt per standplaats: het aantal overnachtende personen gesteld op 3,3 personen; het aantal overnachtingen gesteld op 60. 5.. Bij de forfaitaire berekening voor kampeermiddelen op losse standplaatsen wordt per standplaats: het aantal overnachtende personen gesteld op 2,8 personen; het aantal overnachtingen gesteld op 50. 6.. Voor de vaststelling van het in artikel 5, lid 3, onderdeel a bedoelde aantal slaapplaatsen worden meerpersoonsbedden gerekend voor zoveel slaapplaatsen als het aantal personen, waarvoor zij gelegenheid tot overnachten bieden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel