Naar hoofdinhoud
1.. De waarde van een persoonsgebonden budget wordt als volgt vastgesteld: Het persoonsgebonden budget voor een voorziening wordt vastgesteld op de tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening. Deze waarde blijkt uit een door het college geaccepteerde (standaard)offerte. Het persoonsgebonden budget voor een verplaatsingsmiddel voor vervoer buitenshuis wordt bepaald aan de hand van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Het persoonsgebonden budget voor het voeren van een huishouden of individuele begeleiding, bedraagt het aantal geïndiceerde uren maal het uurtarief. Het persoonsgebonden budget voor dagbesteding, bedraagt het aantal geïndiceerde dagdelen maal het dagdeeltarief. 2.. Het in lid 1 genoemde, van toepassing zijnde uurtarief of dagdeeltarief, is vastgelegd in de bijlage bij dit besluit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen dienstverlening door iemand uit het informele circuit, dienstverlening door een medewerker in dienst van een organisatie, een zelfstandige zonder personeel. 3.. Om in aanmerking te komen voor het tarief van een zelfstandige zonder personeel, moet een (model)overeenkomst kunnen worden overlegd. 4.. Voor zover van toepassing op de voorziening, kan het bedrag van het persoonsgebonden budget worden verhoogd met instandhoudingskosten, zoals kosten van onderhoud, reparatie en andere instandhoudingskosten. Indien het persoonsgebonden niet is verhoogd met instandhoudingskosten, worden deze vergoed binnen 30 kalenderdagen nadat een cliënt een factuur heeft overlegd. De kosten worden alleen vergoed voor zover het reparaties over onderhoud betreft als gevolg van normaal gebruik van de voorziening. Kosten die veroorzaakt zijn door onoordeelkundig of onzorgvuldig gebruik of nalatigheid, worden niet vergoed. 5.. Er wordt pas opnieuw een persoonsgebonden budget voor een voorziening verstrekt, als de voorziening technisch is afgekeurd. 6.. De verantwoording van de besteding van het persoongebonden budget vindt plaats op verzoek van het college. 7.. Het college bepaalt de frequentie en wijze van verantwoording van het persoonsgebonden budget.

Rechtspraak bij dit artikel