Gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders
De aanvrager dient te beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders. Deze gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt door het loket Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo-loket) op grond van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. Ook moet de aanvrager aantonen dat hij/zij eigenaar is van het voertuig en een geldig rijbewijs heeft.
In de woonomgeving van de aanvrager dient sprake te zijn van een zodanige
parkeerdruk dat in redelijkheid niet verwacht mag worden dat de aanvrager altijd een parkeerplaats zal kunnen vinden binnen de loopafstand die hij/zij zelfstandig kan overbruggen.
Bewoners met een parkeergelegenheid op eigen terrein, zoals een garage of een oprit, komen niet in aanmerking voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats. Bovendien wordt een individuele gehandicaptenparkeerplaats geweigerd indien de aanleg van de gehandicaptenparkeerplaats praktisch of verkeerstechnisch onuitvoerbaar is binnen een afstand van maximaal 100 meter vanaf de woning van aanvrager.
Gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers
Bewoners met een gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers komen alleen in aanmerking voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De passagier kan niet alleen in of bij huis worden achtergelaten, gedurende de periode dat de bestuurder de auto ophaalt/parkeert. Dit dient met een medische verklaring van een onafhankelijke arts (niet de eigen huisarts) aangetoond te worden;
Er zijn geen mogelijkheden om voor het huis in- of uit te stappen.
Bovendien moet de eigenaar van het voertuig waarvoor de gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd, op hetzelfde adres wonen als de aanvrager, volgens de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).
Criteria verwijdering gehandicaptenparkeerplaats
Een gehandicaptenparkeerplaats vervalt en wordt verwijderd als de
gehandicaptenparkeerkaart niet wordt verlengt of als de gehandicaptenparkeerplaats niet meer wordt gebruikt. Hierover dient de aanvrager de gemeente zo spoedig mogelijk te informeren.
Het college is bevoegd, in gevallen waarin toepassing van dit beleid naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken.