Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.2

Relevante aspecten voor aanwijzing

Onderdeel van Aanwijscriteria Bomenlijst Purmerend

1.2.1 Leeftijd en/of boomgrootte (lg): Hoe ouder een boom, hoe hoger zijn waarde in allerlei opzichten. In eerste instantie geldt het plantjaar van de boom als criterium. Het plantjaar is echter niet van alle bomen bekend. Dan wordt geselecteerd op basis van de stamomvang op 1 meter hoogte vanaf de stamvoet boven het maaiveld. 1.2.2 Technische levensduur (t): Bomen met een zeer slechte levensverwachting komen niet in aanmerking voor aanwijzing, tenzij ze op een dusdanig belangrijke locatie staan dat aanwijzing alsnog gerechtvaardigd is: (zie 1.2.6 Locatie). Voor het bepalen van de technische levensduur zijn de volgende aspecten van belang: De conditie van de boom in relatie tot het herstelvermogen van de boomsoort; De mate waarin er sprake is van mechanisch onherstelbare veiligheidsproblemen; De mate waarin er sprake is van parasitaire ziekten of aantastingen die het voortbestaan van de boom bedreigen; De mate waarin er sprake is van een afname in kwaliteit en/of kwantiteit van de ondergrondse groeiruimte. Als vuistregel geldt dat een boom opgenomen kan worden op de bomenlijst als de conditie niet onherstelbaar slecht is en volledig verval niet binnen 10 jaar verwacht wordt. Voor monumentale bomen ligt de grens op 5 jaar. 1.2.3 Beeldbepalende waarde (b): Een boom is beeldbepalend indien deze voor de visuele kwaliteit van de leefomgeving van grote waarde is of indien de boom een belangrijke positieve bijdrage levert aan het karakter en de herkenbaarheid van zijn omgeving. Op particuliere terreinen gaat het om bomen die in het straatbeeld of vanuit het landschap een grote rol spelen, omdat de boom voor een groot deel zichtbaar is vanuit openbaar toegankelijk gebied. Meestal zijn dat bomen in voor- of zijtuinen. Vaak staan in tuinen van monumentale panden beeldbepalende bomen. De beeldbepalende waarde zit ook in de karakteristiek van de soort. Dit sluit de opname van onherstelbaar, door foutieve snoei verminkte bomen uit. 1.2.4 Cultuurhistorische waarde (ch): Bomen kunnen onderdeel zijn van de lokale geschiedenis of een bepaalde cultuurhistorische betekenis hebben. Het meest bekend zijn de herdenkingsbomen die ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen geplant zijn, bijvoorbeeld de kroningslinde. Ook herkenningspunten zoals grens-, markerings- en bakenbomen vallen daaronder; net als een ensemble bij een historisch pand – denk aan de bomen om de kerk - een buurtboom, eentje met een karakteristieke snoeivorm, een speelboom of een relict uit het verleden. Groene elementen die essentieel zijn voor het landschap of lanen die historische routes zichtbaarder maken, hebben eveneens een hoge cultuurhistorische waarde. 1.2.5 Zeldzaamheid, uniciteit of dendrologie: 1.2.5.1 Zeldzaamheid (z): Een boomsoort is voor Purmerend zeldzaam als er minder dan 7 volwassen exemplaren van voorkomen binnen de gemeentegrenzen. 1.2.5.2 Uniciteit (u): Een boom kan uniek zijn voor Purmerend vanwege de grootte en/of de groeivorm, bijvoorbeeld de grootste, de dikste, een meerstammig exemplaar of de scheefste van de stad. 1.2.5.3 Dendrologie (boomkundig) (d): Bijzondere soorten kunnen boomkundig gezien waardevol zijn. Denk aan een exotische boomsoort, een bijzondere kweekvorm of variëteit. 1.2.6 Locatie (l): Een opvallende of aansprekende locatie van de boom kan bepalend zijn voor opname op de bomenlijst. Een boom op een markante plek wordt eerder aangewezen dan eenzelfde boom op een achteraf locatie. Er zijn ook plekken binnen de gemeente die dusdanig om een boom vragen dat de boom aangewezen kan worden om zijn locatie te beschermen. In wijken en buurten zijn de bomen op verblijfs- en speellocaties van essentieel belang voor de kwaliteit en leefbaarheid van die plek. 1.2.7 Plantwijze (p): De manier waarop een boom geplant of gegroeid is ten opzichte van andere bomen, is van invloed op de manier waarop een boom zich manifesteert. Bij laanbomen is bijvoorbeeld niet zozeer de individuele boom, maar wel de rij als geheel van waarde. Dit geldt ook voor bomen in groepen, zoals bij twee of drie bomen die tezamen één kroon vormen. 1.2.8 Duurzame groeiplaats (dg): Indien de plek/groeiplaats, zowel boven- als ondergronds, dusdanig gunstig is dat de boom verder kan uitgroeien, kan dit mede bepalend zijn voor het aanwijzen van een boom. Het gaat dan om een waardevolle boom (zie 1.3.3) die op grond van de duurzame groeiplaats in potentie kan uitgroeien tot een monumentale boom (toekomstboom). Ondergronds is er dan voldoende vocht, zuurstof, voeding, doorwortelbare ruimte en een lage verdichtingsgraad van de bodem. Bovengronds gaat het om voldoende ruimte voor de ontwikkeling van de kroon, stam en stamvoet. 1.2.9 Snelgroeiende boomsoorten (sg): Voor een aantal boomsoorten gelden strengere eisen voor aanwijzing. Het gaat hier om bomen die snel groeien en zeer algemeen zijn. Vaak zijn het pioniersoorten zoals populier, wilg en berk (niet uitputtend en niet dogmatisch), die zich gemakkelijk vermeerderen. Ze hebben ook vaak een beperktere levensduur, raken sneller in verval en zijn minder duurzaam. Door deze eigenschappen verdringen zij andere bomen. Aanwijzing van deze soorten met dezelfde criteria als die gelden voor alle andere soorten, zou tot gevolg hebben dat ze oververtegenwoordigd raken op de bomenlijst. Bij snelgroeiende soorten die bovendien procentueel oververtegenwoordigd zijn in het totale gemeentelijke bomenbestand, wordt de vereiste stamomvang verdrievoudigd bij de desbetreffende categorie. 1.2.10 Stedenbouwkundige betekenis (sted): Bomen op grenzen of assen, al dan niet symmetrisch, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het karakter en de herkenbaarheid van de stad. Ze accentueren of versterken stedenbouwkundige structuren en definiëren ruimtes. 1.2.11 Verbinding tussen en samenhang van groenelementen en –structuren (v): Verbindende structuren kunnen een grote meerwaarde geven aan andere groenelementen. Als bijvoorbeeld parken en bosgebieden door bomenrijen met elkaar verbonden zijn, neemt de ecologische betekenis ervan toe. Ook kunnen lijnvormige elementen een cruciale rol vervullen in de verbinding tussen stad en ommeland en de duiding daarvan. Onderlinge samenhang ontstaat door afzonderlijke structuren of groengebieden te verbinden met rijen of groepen (stapstenen). Tezamen vormen ze een aansluitend netwerk, de groene dooradering van de stad. 1.2.12 Water(-lopen) met hun oevers (wtr): Water is bij uitstek structurerend voor een stad; hetzij als historische gegevenheid of van recentere datum naar aanleiding van stadsuitbreidingen. Langs rivieren en kanalen werden vaak bomen geplant, de zogenaamde bakenbomen, om de overgang tussen water en land aan te geven. 1.2.13 Hoofdroutes gemotoriseerd en langzaam verkeer / recreatieve routes (r): Bomen in een lijnvormige structuur kunnen aanzienlijk helpen bij de oriëntatie binnen een stad. Ze versterken en accentueren de verkeersstructuur.

Rechtspraak bij dit artikel