Naar hoofdinhoud
1.. Het gemeenschappelijk orgaan bestaat uit de aangewezen leden van het college van Burgemeester en Wethouders (portefeuillehouders) van alle deelnemende gemeenten. 2.. Het gemeenschappelijk orgaan wijst uit zijn midden een voorzitter aan, alsmede een plaatsvervanger. 3.. De leden van het gemeenschappelijk orgaan hebben, onverminderd het bepaalde in de leden 6 tot en met 9, zitting gedurende de zittingsperiode van de gemeenteraad. 4.. De leden van het gemeenschappelijk orgaan treden af op de dag waarop de leden van de raden van de gemeenten aftreden, maar houden zitting totdat in de opvolging is voorzien. 5.. Een lid dat tussentijds ophoudt lid van het college te zijn, houdt daarmee tevens op lid te zijn van het gemeenschappelijk orgaan. Dit geldt ook voor de voorzitter. 6.. Een lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het gemeenschappelijk orgaan wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 7.. Een lid dat tussentijds ontslag neemt, stelt de voorzitter van het gemeenschappelijk orgaan alsmede het college dat hem heeft aangewezen, hiervan op de hoogte. 8.. Leden van het gemeenschappelijk orgaan die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien. 9.. De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat. 10. . De plaats van vestiging als bedoeld in artikel 10, derde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen, is Breda.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel