Het begrip ‘handicap’ is zeer moeilijk in een paar woorden of een paar zinnen uit te leggen. In het kader van het leerlingenvervoer is bepalend of de leerling door een structurele handicap niet in staat is om zelfstandig met openbaar vervoer te reizen. De vraag is dus niet of een leerling gehandicapt is, maar of de handicap hem/haar belemmert om met openbaar vervoer te reizen. De noodzaak voor toekenning van begeleiding bij openbaar vervoer of toekenning van aangepast vervoer moet in alle gevallen aangetoond worden door middel van een (medisch) advies of door goede onderbouwing van de handicap door de ouders waarbij ze aantonen dat hun kind hierdoor niet zelfstandig of met begeleiding zou kunnen reizen. Uit het advies moet blijken dat de leerling door een structurele handicap, stoornis of structurele ziekte niet, of niet zelfstandig in staat is om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Structureel betekent in dit geval minimaal 3 maanden. Het college kan bepalen dat het gewenst/noodzakelijk is een medisch advies in te winnen bij een door de gemeente aan te wijzen externe deskundige. Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen.
Indien dit voor de beoordeling van een aanvraag wenselijk is, kunnen de vervoersmogelijkheden van de leerling op initiatief van de gemeente medisch onderzocht worden door een onafhankelijke deskundige. Dit vervoersadvies wordt meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag leerlingenvervoer. De kosten hiervan zijn voor de gemeente.
Artikel 2
- Handicap (op basis van artikel 12 lid 1 onder d en artikel 19 lid 1 onder d van de verordening).
Onderdeel van Beleidsregels leerlingenvervoer