De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer horeca-bedrijven tijdelijk andere dan de geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, 1e lid;
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras.
Artikel 2:31a Ordeverstoring
1.Het is verboden in een openbare inrichting onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te veroorzaken of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.
2.Het is verboden in een openbare inrichting messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie. Deze wapens zijn op grond van de Wet wapens en munitie verboden.
4.Een ieder is verplicht in een openbare inrichting alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer en daartoe bevoegde ambtenaren van de gemeente in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
4.Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
4.Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
4.Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30op als bevoegd bestuursorgaan.
4.Artikel 2:34 Overige bepalingen
4.Een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 vervalt, indien de betreffende openbare inrichting wordt beëindigd, van overheidswege wordt gesloten, als gedurende een periode van zes maanden geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning of indien de aard en omvang van de openbare inrichting wordt gewijzigd.
4.Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
4.Artikel 2:35 Begripsbepaling (vervallen)
4.Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie (vervallen)
4.Artikel 2:37 Nachtregister (vervallen)
4.Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister (vervallen)
4.Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden
4.Artikel 2:39 Speelgelegenheden (vervallen)
4.Artikel 2:40 Speelautomaten
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
Wet: de Wet op de kansspelen;
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
In hoogdrempelige inrichtingen of het hoogdrempelige deel van een samengestelde inrichting zijn 2 kansspelautomaten toegestaan.
In laagdrempelige inrichtingen of het laagdrempelige deel van een samengestelde inrichting zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
4.Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
4.Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
4.Artikel 2:42 Plakken en kladden
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
4.Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
Dit verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
4.Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Het is verboden op een openbare plaats of in de nabijheid van winkels te vervoeren, bij zich te hebben dan wel bij de hand te hebben van een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
4.Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. (vervallen)
4.Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (vervallen)
4.Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Het is verboden:
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
4.Artikel 2:47a Verstoring van de openbare orde
Het is verboden op of aan de openbare weg, op een voor het publiek toegankelijk sportterrein of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen of te vechten.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht.
4.Artikel 2:47b Vermommingen
4.Het is verboden zich vermomd of op een andere wijze onherkenbaar gemaakt op de weg of een andere voor publiek toegankelijke plaats te bevinden met het kennelijke doel herkenning te voorkomen bij verstoring van de openbare orde.
4.Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet;
door het college aangewezen plaatsen.
4.Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of onder een overkapping op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;
zich zonder redelijk doel op te houden op het terrein van een school, bedrijf of instelling buiten de schooltijd of werktijd van het bedrijf of de instelling.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
4.Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
4.Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
4.Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. (vervallen)
4.Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt, kermisterrein e.d. (vervallen)
4.Artikel 2:53 Bespieden van personen (vervallen)
4.Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur
4. (vervallen)
4.Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren
4. (vervallen)
4.Artikel 2:56 Alarminstallaties
4. (vervallen)
4.Artikel 2:57 Loslopende honden
1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg met uitzondering van parken en plantsoenen zonder dat die hond aangelijnd is, tenzij anders is aangegeven;
buiten de bebouwde kom zonder toezicht of geleide;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
in op enigerlei wijze als zodanig aangegeven natuurgebieden en de particuliere terreinen die daarbinnen liggen, tenzij anders is aangegeven, zonder dat die hond aangelijnd is;
op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
4.Artikel 2:58 Verontreiniging door honden, paarden en pony’s
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond in de openbare ruimte binnen de bebouwde kom meteen worden opgeruimd.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar de in lid 1 gestelde verplichting niet van toepassing is.
De eigenaar, houder of berijder van een paard of pony is verplicht ervoor te zorgen dat in de openbare ruimte, voor zover gelegen binnen de bebouwde kommen van de gemeente Achtkarspelen, de uitwerpselen van het paard of de pony worden opgeruimd.
4.Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
Als het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
4.Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
4.Artikel 2:61 Wilde dieren
4. (vervallen)
4.Artikel 2:62 Loslopend vee
De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke (pluim)veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Het is verboden vee zonder voldoende toezicht op of aan een weg te hebben of te doen verblijven of zonder voldoende begeleiding over de weg te vervoeren of te verweiden.
(Pluim)vee, dat onbeheerd wordt aangetroffen kan worden overgebracht naar een door het college te bepalen plaats en aldaar worden bewaard op kosten van de eigenaar.
Als in bewaring gesteld (pluim)vee, als bedoeld in het derde lid, niet binnen een termijn van een week, gerekend vanaf de dag van inbewaringstelling, door de eigenaar is opgevorderd, brengt het college deze bewaring door publicatie in een of meer plaatselijk verschijnende nieuwsbladen ter openbare kennis.
Als de eigenaar het (pluim)vee niet binnen een week na de in het vierde lid bedoelde publicatie heeft gevorderd, wordt dit in het openbaar verkocht. Na aftrek van de kosten van bewaring en publicatie wordt de opbrengst gedurende de wettelijke termijn van verjaring ter beschikking van de eigenaar gehouden.
In afwijking van het bepaalde in het vierde en vijfde lid zijn burgemeester en wethouders na het verstrijken van de termijn, als bedoeld in het vierde lid, eveneens gerechtigd over te gaan tot openbare verkoop van het (pluim)vee als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de waarde van het vee ontoereikend is om hieruit de kosten van bewaring en publicatie te voldoen.
4.Artikel 2:63 Duiven
4.Het is de rechthebbende op duiven verboden deze te laten uitvliegen, indien het college hem schriftelijk heeft meegedeeld, dat zij dit in verband met de plaats waar de duiven worden gehouden hinderlijk voor de omgeving achten.
4.Artikel 2:64 Bijen
Het is verboden bijen te houden:
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
De ontheffing is persoonsgebonden.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.
4.Artikel 2:65 Bedelarij (vervallen)
4.Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
4.Artikel 2:66 Begripsbepaling
4.In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4.Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4.Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
4.De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
4.Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)
4.Afdeling 13 Vuurwerk
4.Artikel 2:71 Begripsbepalingen
4.In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
4.Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de ...................verkoopdagen (vervallen)
4.Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
4.Artikel 2:73a Gebruik van carbid
Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een melkbus of soortgelijke constructie qua aard en omvang, op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water.
2. Het is verboden carbid te schieten zonder daarvan een melding te doen aan de burgemeester.
3. De burgemeester kan akkoord gaan met de melding als:
er gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of gelijksoortige voorwerpen met een maximale inhoud van 40 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen, en
het carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 08.00 en 22.00 uur, en
hiervan tenminste voor 1 december van het desbetreffende jaar melding is gedaan aan de burgemeester, en
de aanvraag is vergezeld van een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt, en
de aanvraag tevens is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend en waarop de schootsrichting is aangegeven, en
de plaats vanwaar geschoten wordt, op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en op een afstand van tenminste 300 meter van onderkomens van dieren gelegen is, en
er geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daar gevaren kunnen optreden voor mens, dier en milieu.
Van het bepaalde in lid 3 onder f kan worden afgeweken mits de veiligheid van mens en dier door de aanvrager wordt gewaarborgd en de locatie naar het oordeel van de burgemeester geschikt is om carbid te schieten.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
4.Afdeling 14 Drugsoverlast
4.Artikel 2:74 Drugshandel op straat
4.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
4.Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op .................openbare plaatsen
Hoofdstuk 2 › Afdeling 8
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Achtkarspelen 2017
Verwijzingen
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 429
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 424
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 424
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 30
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 437
- Artikel 2
- Artikel 2