Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 29

Begroting

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst IJmond

1.. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2.. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande dat waarvoor de begroting dient, toe aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 3.. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en de voorlopige jaarrekening vóór 15 april toe aan de raden van de deelnemende gemeenten resp. provinciale staten van de provincie 4.. Voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting opgenomen ramingen en wijzigingen en wordt tevens rekening gehouden met de laatst bekende cao-afspraken zoals deze gelden voor de gemeentelijke overheid, het prijsindex-cijfer voor de overheidsconsumptie en inclusief autonome ontwikkelingen. 5.. De begroting wordt voorzien van een memorie van toelichting waarin voldoende inzicht wordt gegeven in de kosten in relatie tot de te leveren diensten en/of producten 6.. De begroting gaat vergezeld van een beredeneerde toelichting, waarin de hoofdlijnen van de gewenste (beleids)ontwikkelingen in het samenwerkingsgebied worden aangegeven. 7.. Aan de begroting wordt een meerjarenprognose toegevoegd 8.. De meerjarenprognose omvat een globale raming van uitgaven en inkomsten en wordt van een toelichting voorzien 9.. De in de meerjarenprognose op te nemen ramingen worden gebaseerd op het loon- en kostenpeil dat geldt voor de samenstelling van de jaarlijkse begroting 10.. De raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van de provincie kunnen binnen tien weken na de datum van toezending van de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur hun zienswijze naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin die zienswijze is vervat, bij de begroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 11.. Op het wijzigen van de begroting zijn de leden 2 tot en met 7 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, tenzij het technische begrotingswijzigingen betreft die niet zorgen voor een verhoging van de bijdragen van de deelnemers. Voor laatstgenoemde begrotingswijzigingen is het algemeen bestuur bevoegd deze vast te stellen zonder daarvoor een zienswijze van de deelnemers te verzoeken

Rechtspraak bij dit artikel