Naar hoofdinhoud
Hieronder volgt een korte beschrijving van de randvoorwaarden. Loopafstand De containers moeten zodanig gesitueerd worden dat de loopafstand – de daadwerkelijk te lopen route dus niet hemelsbreed gemeten – tussen de grens van een op de containerlocatie aan te sluiten perceel en de ondergrondse container telkens maximaal de hiertoe in de Afvalstoffenverordening opgenomen afstand bedraagt. Bereikbaarheid De container moet zowel voor de inzameldienst als voor de gebruikers voldoende bereikbaar en toegankelijk zijn. Vanuit de kant van de inzameldienst houdt dit minimaal in dat de toegangswegen naar de container toegankelijk zijn voor het inzamelvoertuig, de containers zo gesitueerd dienen te zijn dat het technisch mogelijk is de container te legen en dat de inzameldienst bij het legen geenobjecten in de openbare ruimte (zoals bomen, lantaarnpalen, auto’s e.d.) of gebouwen (bijvoorbeeld muren, balkons, uitsteeksels aan gebouwen e.d.) kan raken. Vanuit de kant van de gebruikers dienen de containers makkelijk bereikbaar, toegankelijk en veilig gesitueerd te zijn. In het bijzonder ook (altijd) voor ouderen en mindervaliden. Verkeersveiligheid De container moet zowel voor de inzameldienst als voor de gebruiker op een veilige wijze te bereiken zijn. Vanuit de kant van de inzameldienst houdt dit minimaal in dat de container geleegd moet kunnen worden zonder dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat. Vanuit de kant van de gebruiker betekent dit dat zij hun afval kwijt moeten kunnen, zonder hiervoor verkeersonveilige handelingen te moeten verrichten. Het moeten oversteken van een druk bereden rijweg, zonder dat er een veilige oversteekplaats – bijvoorbeeld een voetgangersoversteekplaats, al dan niet met verkeerslicht – in de directe nabijheid is, is een voorbeeld van een verkeersonveilige handeling. De container mag nooit zo worden geplaatst dat het verkeer hier hinder van ondervindt. Ondergrondse infrastructuur Bij het bepalen van locaties wordt de ondergrond onderzocht op de aanwezigheid van obstakels. Belangrijkste voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van kabels en leidingen. Tot de omlegging van kabels en leidingen gaat de gemeente alleen over indien dit tegen relatief geringe kosten mogelijk is. Hoofd (transport) leidingen, hoofdriool en glasvezelkabels vallen hier niet onder. Voor overige kabels en leidingen die tot een lokaal netwerk behoren, huisaansluitingen en straatkolken, weegt de gemeente de overlast en kosten voor verleggen af tegen het belang van de locatie. Parkeerplaatsen In veel wijken in Breda bestaat een tekort aan parkeerplaatsen. Bij de locatiebepaling houdt de Projectgroep Transitie Afvalbeheer hier rekening mee. Bestaande parkeerplaatsen dienen zoveel als mogelijk behouden te blijven. Indien er geen andere mogelijkheid is dan het opheffen van een parkeerplaats, moet in beginsel in de omgeving een nieuwe parkeerplaats komen. Bomen en groenvoorzieningen Gelet op het belang van het aanwezige groen in wijken, zullen bomen nooit wijken voor een ondergrondse container. Ook groenvoorzieningen zullen zoveel mogelijk onaangetast blijven. Echter waar plaatsingsruimte in de verharding onvoldoende is of ontbreekt, zal aanliggend groen benut worden. Inpassing in de openbare ruimte en overige ruimtelijke aspecten De situering van de ondergrondse containers moet in beginsel passen binnen het straatbeeld. Daartoe is een combinatie van de container(locatie) met overige objecten in de openbare ruimte en in lijn zijn met overige objecten of functies nodig. De containers worden bijvoorbeeld zoveel mogelijk buiten eventuele zichtlijnen met woningen geplaatst, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn. Het algemeen belang gaat ook hier uiteindelijk voor op het individuele belang. Als sprake is van een historische omgeving of een architectonisch belangrijke locatie, zijn de bij die omgeving passende eisen aan de locatie leidend.

Rechtspraak bij dit artikel