Naar hoofdinhoud
1.. Bij aanvragen voor woonkosten, een geldlening, suppletie voor aflossing van een geldlening of voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dient het inkomen dat meer bedraagt dan de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, volledig als draagkracht te worden aangewend. 2.. In alle overige gevallen geldt dat bij een inkomen dat meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm dit volledig als draagkracht dient te worden aangewend. Indien er sprake is van draagkracht bij een aanvraag voor maatschappelijke participatie zoals genoemd in artikel 4 lid 1 onderdeel a en b en artikel 5, bestaat er geen recht op een voorziening. 3.. Artikel 31 tot en met 33 PW zijn van overeenkomstige toepassing. 4.. Het inkomen wordt verminderd met de woonkosten voor zover deze na aftrek van ontvangen huurtoeslag meer bedragen dan de in de Wet op de Huurtoeslag genoemde basishuur een-/meerpersoonshuishoudens. 5.. De draagkracht uit vermogen bestaat: uit alle beschikbare vermogensbestanddelen indien het betreft een tegemoetkoming voor algemeen gebruikelijke kosten en duurzame gebruiksgoederen uit het vermogen voor zover dit meer bedraagt dan het in artikel 34 lid 3 PW genoemde vrij te laten bescheiden vermogen bij overige vormen van bijzondere bijstand en regelingen maatschappelijke participatie. 6.. Voor de regelingen maatschappelijke participatie (artikel 4) en tegemoetkoming openbaarvervoer EBS voor AOW-gerechtigden (artikel 5) geldt bij bewoning van een eigen woning zoals genoemd in artikel 50, eerste lid PW een extra vrijlating uit het vermogen tot het in artikel 34 lid 2 onderdeel d PW genoemde bedrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel