In afwijking van de periodes en procedures genoemd in de artikelen 1 t/m 3 kan tot (gedeeltelijke) intrekking van een niet of niet volledig uitgevoerde vergunning worden overgaan wanneer aan de basisvoorwaarden uit artikel 2.33, lid 2 Wabo is voldaan en de verleende vergunning in strijd is met planologische, stedenbouwkundige, welstandsinzichten en/of met een (andere) beleidsregel die na het onherroepelijk worden van de vergunning bekend zijn gemaakt, door middel van een tervisielegging dan wel het van kracht worden van:
een herziening of wijziging van een bestemmingsplan;
een aanpassing van of aanvulling op de Welstandsnota;
beleidsregels met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo;
beleidsregels op het gebied van de in artikel 2.33, lid 2 Wabo genoemde activiteiten.
Ten aanzien van de procedure om tot intrekking te komen wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, met dien verstande dat een intrekking op welstandsgronden gebaseerd moet zijn op een advies van de gemeentelijke welstandscommissie.