Deze verordening treedt in werking op 9 februari 2012 onder gelijktijdige intrekking van de Participatieverordening gemeente Leeuwarden zoals vastgesteld bij besluit van 27 september 2010.
Algemene toelichting
Inleiding
Ter bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden wordt de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2012 aangepast. Het pakket maatregelen heeft
tot doel het versterken van het activerende karakter van de Wet werk en bijstand. Dit gebeurt enerzijds door het aanscherpen van de verplichtingen waaraan uitkeringsgerechtigden moeten voldoen, anderzijds door een aantal maatregelen te treffen waardoor de vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand wordt versterkt.
De belangrijkste maatregelen zijn het aanscherpen van de regels ten aanzien van jongeren tot 27 jaar die thans onder de Wet investeren in jongeren vallen en het overhevelen van deze categorie van belanghebbenden naar de Wet werk en bijstand, het afschaffen van de bijstand voor inwonenden, het vervangen van de toets op het inkomen van de partner door een toets op gezinsniveau (huishoudinkomen), de maximering van het gemeentelijk minimabeleid en de introductie van de mogelijkheid om de verplichting op te leggen om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als
tegenprestatie voor bijstandsverlening.
Opdracht college
Op grond van de WWB, de IOAW, en de IOAZ heeft het college de opdracht om zorg te dragen voor de participatie van:
Bijstandsgerechtigden in de zin van de WWB;
Uitkeringsgerechtigden in de zin van de IOAW en de IOAZ;
niet- uitkeringsgerechtigden die aan de daaraan te stellen criteria voldoen (nuggers);
klanten met een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (Anw-ers;
klanten die onder de strekking van artikel 10, tweede lid van de WWB vallen.
De raad dient een verordening vast te stellen waarin wordt vastgelegd welke kaders gelden voor het beleid van de gemeente ten aanzien van haar participatieopdracht. Tevens dient in deze verordening de aanspraak van klanten op ondersteuning bij participatie te worden vastgelegd.
De Participatieverordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij het participeren op het voor de klant hoogst haalbare participatietrede. Met de Participatieverordening wordt beoogd zoveel mogelijk mensen te laten meedoen als dit de kans op uitstroom richting regulier werk bevordert, maar ook waar dit (nog)niet haalbaar is.
Procedurele opzet
De Participatieverordening heeft een procedurele opzet. In de verordening is enkel datgene opgenomen wat op grond van de WWB, de IOAW en de IOAZ in de Participatieverordening dient te worden vastgelegd. Dit biedt de gemeente de mogelijkheid om op flexibele wijze en over meerdere jaren nadere invulling te geven aan een adequate ondersteuning. Voor de nadere uitwerking wordt in de betreffende artikelen verwezen naar de beleidsregels welke door het college worden vastgesteld. De procedurele opzet van de verordening stelt het college eveneens in staat om maatwerk aan de klant te kunnen leveren.
Relatie Participatieverordening en de Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012
Aan de plicht tot meewerken aan een voorziening gericht op participatie kunnen sancties worden verbonden indien de klant zijn verplichtingen onvoldoende nakomt. De basis voor het opleggen van een maatregel is gelegd in de Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012.
Relatie Participatieverordening en Verordening Wet inburgering gemeente Leeuwarden
De klant die tot de doelgroep inburgeraars van de gemeente Leeuwarden behoort, kan een voorziening gericht op participatie op grond van de Participatieverordening worden geboden.
De Wet inburgering (WI) bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd kan worden met een voorziening gericht op participatie als een inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld voor een inburgeraar die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid van de WI).
Dienstverlening
Binnen de dienstverlening aan de klanten staat participatie centraal. De gemeente Leeuwarden wil dat een zo groot mogelijke groep klanten deelneemt aan de samenleving. Het liefst in de vorm van betaalde arbeid, maar waar dat (nog) niet kan ook op andere manieren. Bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk. Wanneer klanten dat nodig hebben, biedt de gemeente hen ondersteuning. Met betrekking tot de inzet van de dienstverlening kan het college prioritering in doelgroepen aanbrengen.
Een deel van deze dienstverlening voert de gemeente Leeuwarden zelf uit en een deel van de dienstverlening kan worden ingekocht bij derden.
Bij aanvang van de dienstverlening is het belangrijk de klant zo goed mogelijk te positioneren, waarbij gebruik gemaakt wordt van de participatieladder. De zes treden van de participatieladder zijn: 1. Geïsoleerd, 2. Sociale Contacten buitenshuis, 3. Deelname georganiseerde activiteiten, 4. Onbetaald werk, 5. Betaald werk met ondersteuning en het uiteindelijke doel de hoogste trede 6. Betaald werk.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In dit artikel worden de begrippen die in deze verordening voorkomen gedefinieerd. Voor zover de begrippen niet worden omschreven, wordt aansluiting gezocht bij de Wet participatiebudget, Wet Werk en Bijstand, Algemene wet bestuursrecht of overige in deze verordening aangehaalde wetten. Deze systematiek zorgt voor een uniforme hantering van begrippen in de uitvoeringspraktijk.
Artikel 1.2 Toepassingsbereik
In dit artikel wordt omschreven wat de raad wil bewerkstelligen met deze verordening. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting.
Artikel 2.1 Doelgroep participatievoorzieningen
In dit artikel wordt de doelgroep van de voorzieningen die op grond van deze verordening kunnen worden aangeboden benoemd.
Artikel 2.2 Opdracht college
Het college draagt zorg voor de participatie van klanten. In dit artikel wordt aangegeven waar het college rekening mee moet houden bij het geven van ondersteuning. Behalve dat het college op grond van de WWB altijd verplicht is om iedere ondersteuning af te stemmen op de klant wordt een en ander door middel van de in dit artikel opgenomen criteria nogmaals gewaarborgd.
In het derde lid wordt aandacht besteed aan de aanwezigheid van zorgtaken. Dit is een aspect waarvan de wetgever expliciet aangeeft dat daar rekening mee moet worden gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om de zorgtaken die betrekking hebben op de zorg voor kinderen. Ook de aanwezigheid van zorgtaken voor huisgenoten, familieleden of andere personen, de zogenaamde mantelzorg, kan ertoe leiden dat personen soms niet of in mindere mate beschikbaar zijn voor het verrichten van arbeid.
Met het vierde lid geeft de gemeenteraad het college de opdracht een zodanige ondersteuning te realiseren, dat zoveel mogelijk klanten ondersteund kunnen worden.
Tot slot worden een aantal bevoegdheden van het college in dit artikel genoemd. In het vijfde lid worden kaders en criteria aangegeven voor prioritering in de aangeboden ondersteuning.
De bepaling over de mogelijkheid tot het vragen van een eigen bijdrage of het vaststellen van nadere voorwaarden heeft betrekking op de doelgroep niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers). Van deze groep is namelijk niet vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage of het stellen van nadere voorwaarden kan dan op zijn plaats zijn.
Artikel 2.3 Ondersteuning
In artikel 10 van de WWB is de aanspraak op ondersteuning van de personen die genoemd zijn in artikel 2.2 van deze verordening geregeld. Aanspraak op ondersteuning betekent niet dat er zonder meer recht bestaat op ondersteuning als iemand tot de doelgroep behoort. Het college doet geen aanbod als zij dit niet noodzakelijk acht.
In het eerste lid wordt een koppeling gelegd tussen de aanspraak van de klant en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van ondersteuning.
In het tweede lid wordt de uitsluitingsgrond beschreven.
Gezien de procedurele opzet van de verordening worden de voorzieningen in beleidsregels beschreven. In het vierde lid is vastgelegd dat het college nadere voorwaarden aan de voorzieningen in beleidsregels kan vastleggen.
Het vijfde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere verplichtingen te verbinden. Deze verplichtingen kunnen zeer divers zijn.
Artikel 2.4 Premieverstrekking
Klanten met een uitkering die moeilijk aan de slag komen kan de mogelijkheid worden geboden om werkervaring op te doen met behoud van hun uitkering op een participatieplaats. Het college verstrekt de klant telkens nadat hij op deze wijze zes maanden additionele werkzaamheden heeft verricht een premie. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de klant heeft voldaan aan de daaraan verbonden verplichtingen.
Op grond van artikel 7, achtste lid van de WWB komen personen beneden de 27 jaar niet in aanmerking voor een participatieplaats in de zin van artikel 10a van de WWB. Dit brengt met zich mee dat zij geen recht kunnen hebben op de in artikel 10a, zesde lid van de WWB en artikel 2.4, eerste lid van deze verordening bedoelde premie.
Artikel 2.5 Verplichtingen klant
In de diverse wetten (waaronder de WWB, de IOAW en de IOAZ) wordt aangegeven welke verplichtingen aan het recht op de verleende bijstand of de verstrekte uitkering zijn verbonden. Het tweede lid legt de verbinding met de Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012.
Artikel 2.6 Innovatie
Op grond van dit artikel heeft het college de mogelijkheid om in een experimentele vorm een voorziening te kunnen aanbieden, zodat adequaat op nieuwe ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Elk voornemen van het college om gebruik te maken van deze bevoegdheid zal worden voorgelegd aan de Cliëntenraad Werk en Inkomen Leeuwarden.
Artikel 3.1 Uitvoering
De uitvoering van deze verordening berust bij het college. Het college stelt voor deze uitvoering nadere regels vast.
Artikel 3.2 Hardheidsclausule
De hardheidsclausule is in de verordening opgenomen om het college enige vrijheid te geven bij het toepassen van de bepalingen. Of een dergelijke bepaling daadwerkelijk van toepassing zal zijn, is mede gelet op het individualiseringsbeginsel in de WWB nog onduidelijk. Immers het college is verplicht om op basis van dit beginsel de toepassing van de WWB te allen tijde op de belanghebbende af te stemmen. Ondanks voorgaande constatering wordt de clausule toch in de verordening opgenomen. De eventuele toepassing van deze hardheidsclausule dient echter wel tot het uiterste beperkt te worden. Bij het regelmatig toepassen van deze clausule dient aanpassing van de verordening te worden overwogen.
Artikel 3.3 Citeertitel
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 3.4 Inwerkingtreding
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.4
Inwerkingtreding
Onderdeel van Participatieverordening gemeente Leeuwarden 2012