Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten, leiden de onderstaande criteria tot verminderde verwijtbaarheid.
de belanghebbende is feitelijk in staat geweest om aan de inlichtingenplicht te voldoen. Tevens heeft de belanghebbende aangetoond dat deze is geconfronteerd met onvoorziene en ongewenste omstandigheden die emotioneel zo ontwrichtend waren dat het de belanghebbende niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
de belanghebbende heeft niet tijdig of niet volledig inlichtingen verstrekt. De belanghebbende heeft vervolgens uit zichzelf alsnog de juiste gegevens op de juiste wijze gemeld vóórdat de schending van de inlichtingenplicht is geconstateerd, maar nádat de 60 dagen termijn waarbinnen volgens art. 3 lid 1b nog gewaarschuwd kan worden is verstreken;
door de belanghebbende is met bewijsstukken aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat in verband met diens geestelijke of fysieke toestand het niet volledig valt aan te rekenen dat niet tijdig en/of volledig aan de inlichtingenplicht is voldaan. Ook is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat diens geestelijke of fysieke toestand het in de weg stond een andere persoon in te schakelen om namens de belanghebbende aan de verplichting te voldoen;
de belanghebbende heeft aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
er is sprake van 'gedeelde verwijtbaarheid', waarbij de belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar de overtreding heeft voortgeduurd terwijl het college daarvan op de hoogte was en heeft nagelaten in te grijpen terwijl dat redelijkerwijs wel mogelijk was;
Artikel 4
Criteria verminderde verwijtbaarheid
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Almere 2017