Algemeen
De bepalingen over ingangsdatum, recidive, etc. in verband met verlagingen op grond van de Ioaw en Ioaz zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van deze verordening. De bepalingen voor deze wetten wijken te veel af van de P-wet om het in het algemene hoofdstuk van deze verordening op te nemen.
Lid 4
Er is geen sprake van recidive na een waarschuwing. De verdubbeling van de duur van de verlaging is alleen van toepassing als er eerder sprake was van een verlaging van de uitkering.
Lid 5In de verordening mag niet worden opgenomen dat de verlaging voor onbepaalde duur wordt toegepast. Een dergelijke bepaling is op grond van jurisprudentie niet rechtmatig.
Lid 6
De verplichting om het besluit te heroverwegen is opgenomen in artikel 18 lid 3 van de P-wet. Bij de heroverweging moet gekeken worden naar het gedrag en de omstandigheden van belanghebbende. Voor werkwijze zie Handboek Schulinck hoofdstuk 5 (verplichtingen en afstemming) paragraaf 10 (afstemming (maatregelen) onderdeel 11 (heroverweging). Voor wat betreft een jongere zal een langdurige maatregel minder vaak voorkomen. Bij herhaaldelijk en ernstig niet nakomen van de verplichtingen kan de jongere op grond van artikel 13 lid 2 sub d van de P-wet worden uitgesloten van het recht op uitkering. Uit houding en gedraging moet dan ondubbelzinnig blijken dat de jongere de verplichtingen op grond van artikel 9 en 55 van de P-wet niet wil nakomen. Het uitsluiten van het recht op uitkering heeft voor de jongere – zeker als hij niet tot een gezin behoort – grote gevolgen. De jongere moet de kans krijgen om zijn gedrag aan te passen. Dat betekent dat uitsluiting bij een nieuwe aanvraag in de praktijk slechts zelden toegepast zal kunnen worden na een eerste zoektijd van 4 weken. Dat kan slechts als de houding en gedraging van de jongere van dien aard zijn dat een 2e zoektermijn geen nut zal hebben. Bij een lopende uitkering zal de uitsluiting vaak voorafgegaan worden door verlaging van de uitkering.
Lid 7
Voor de geüniformeerde verplichtingen is voor de duur van de verlaging onderscheid gemaakt naar de ernst van de verplichting. Voor minder ernstige verplichtingen voor de eerste keer is het één maand en voor ernstige verplichtingen twee maanden. Bij ernstige verplichtingen is er een direct verband tussen niet nakomen van de verplichtingen en het niet krijgen of houden van werk. Bij minder ernstige verplichtingen is dat verband niet direct aanwezig. Bijvoorbeeld inschrijving bij uitzendbureau. Dat kan tot gevolg hebben dat werk wordt misgelopen, maar het hoeft niet.
Lid 8
Op grond van dit lid kan de verlaging voor de niet-geüniformeerde verplichtingen verrekend worden over maximaal 3 maanden. Dit was nog niet opgenomen in de verordening die tot 01-01-2015 van toepassing was, maar er was wel aanleiding voor het opnemen van deze bepaling.
Lid 9
Met dit lid is gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 18 lid 5 van de P-wet om de 1e verlaging te verrekenen over maximaal 3 maanden. Van deze mogelijkheid kan gebruik gemaakt worden als er sprake is van bijzondere omstandigheden en het gevolg van het verrekenen in één of twee maanden te ernstig is.
Hoofdstuk
Artikel 7
Artikel 7
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz Gemeente Hollands Kroon 2017