**1.2.1 .** De beleidsregels met betrekking tot de privaatrechtelijke invordering bieden een duidelijk
kader ter ondersteuning van de dagelijkse praktijk. Daarnaast worden bedrijfsrisico’s beperkt voor inconsequente gedragslijnen met betrekking tot de invordering en financieel administratieve verantwoording van de facturen van de gemeente Krimpen aan den IJssel.
**1.2.2.** Als een openstaande factuur op verschillende wijze kan worden ingevorderd, dient te worden
gekozen voor de meest effectieve en efficiënte invorderingsbehandeling, tenzij het belang van
de invordering daardoor zou worden geschaad. Belangrijke indicatoren van effectiviteit en
efficiencyzijn eenvoud, snelheid en een lage kostprijs.
**1.2.3.** In aansluiting op artikel 67 van de Invorderingswet 1990, inzake de geheimhoudingsplicht,
mogen geen gegevens van een debiteur worden verstrekt aan derden, tenzij dit voor de
invordering van de schuld van betreffende debiteur van belang is. Met het oog op de privacy
moet tevens zorg worden gedragen voor een situatie waarin het voor derden onmogelijk is om
kennis te nemen van gegevens van de debiteur.
**1.2.4.** Hoewel de invorderingsambtenaar bij het invorderen rekening kan houden met persoonlijke
omstandigheden van de debiteur, is zijn taak er in de eerste plaats op gericht om er zorg
voor te dragen dat een openstaande vordering, binnen de gestelde termijnen, wordt voldaan.
**1.2.5.** Met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt de invordering voor een grootdeel op overeenkomstige wijze plaats ten aanzien van de debiteur. Ter wille van de leesbaarheid is op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken.
**1.2.6.** De invorderingsambtenaar dient bij het invorderen van de vorderingen altijd zorgvuldig, tactvol, objectief en correct te handelen. Daarbij dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als objectief en correct te handelen. Daarbij dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als uitgangspunt. Dit geldt in het bijzonder voor de volgende beginselen:
gelijkheidsbeginsel: soortgelijke gevallen dienen gelijk te worden behandeld;
motiveringsbeginsel: handelingen of besluiten dienen deugdelijk te worden gemotiveerd,
zodat de debiteur of derde, kennis kan nemen van de beweegredenen en zich tegen de
(voorgenomen) handelingen of besluiten kan verweren;
rechtszekerheidsbeginsel: als het vertrouwen van de debiteur in een invorderingskwestie
(terecht) wordt opgewekt, wordt dat vertrouwen gehonoreerd;
zorgvuldigheidsbeginsel: de wettelijke toegekende invorderingsbevoegdheden worden
gebruikt overeenkomstig hun bedoeling.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.2