In 2002 had het college de uitgangspunten voor het geven van straatnamen vastgesteld. Er is voor gekozen om deze uitgangspunten over te nemen in de verordening, zodat alle regels omtrent naamgeving in één verordening zijn opgenomen. Dit bevordert het overzicht op het gebied van naamgeving van objecten.
Aan de oude uitgangspunten zijn enkele nieuwe uitgangspunten toegevoegd. Hieronder worden enkele uitgangspunten nader beschreven.
Ad a:
nog levende personen worden niet vernoemd om te voorkomen dat levende personen naderhand in opspraak kunnen raken.
Ad b:
aan het benoemen van straten in samenhang per groep moet worden gedacht aan bijvoorbeeld bloemen-, componisten-, heide-, molen-, Oranje-, schilders-, spoor-, staatslieden-, veen-, veld- en vogelbuurten.
Ad d:
het achtervoegsel (-weg, -straat, -laan en –pad) kan het karakter van de openbare ruimte aangeven, terwijl het eerste gedeelte een indicatie van de ligging in de openbare ruimte kan aangeven. Denk bijvoorbeeld aan Oldemarktseweg en Tukseweg.
Ad e:
er bestaat een voorkeur voor korte namen in verband met automatische gegevensverwerking en om te voorkomen dat lange namen op een onaanvaardbare manier worden afgekort, verhaspeld of belachelijk worden gemaakt.
Ad g:
namen die spellingsproblemen geven worden geprobeerd te vermijden, om zo onder meer te voorkomen dat dienstverlenende instanties niet goed hun werk kunnen uitvoeren.
Tot slot heeft het college en de Straatnaamcommissie de mogelijkheid om de uitgangspunten uit te breiden. Hierdoor wordt voorkomen dat voor nieuwe uitgangspunten de verordening moet worden aangepast.
HOOFDSTUK 3
Artikel 9
Uitgangspunten bepalen naamgeving
Onderdeel van Verordening Naamgeving en Nummering (Adressen)