Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 2

Het opleggen van een maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Moerdijk

Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijze naar voren te brengen. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: De vereiste spoed zich daartegen verzet, De belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn/haar zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; Belanghebbende te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op het geven van zijn/haar zienswijze 4.. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in artikel 14, het eerste lid, kan worden afgezien als de verwijtbaarheid van de gedraging volledig ontbreekt. Als binnen een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de beschikking waarin van het afzien van het opleggen van een maatregel vanwege een ernstige misdraging mededeling wordt gedaan, opnieuw sprake is van een zeer ernstige misdraging, wordt een maatregel opgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel