Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten
Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2015,
de griffier, de voorzitter,
Toelichting GR IJSSELgemeenten
Algemene toelichting
De colleges van Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel zijn met ingang van 1 januari 2015 de gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten aangegaan (hierna: GR IJSSELgemeenten). Deze GR IJSSELgemeenten heeft bij oprichting de vorm gekregen van een gemeenschappelijk openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: WGR), met een algemeen bestuur, dagelijks bestuur en een voorzitter. De GR IJSSELgemeenten oud voert krachtens mandaten, machtigingen en volmachten namens en voor de colleges en gemeenten ondersteunende processen en uitvoeringstaken uit op het terrein van sociale zaken en ICT en automatisering.
De colleges van Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Zuidplas zijn overeengekomen dat het college van Zuidplas per 1 januari 2016 toetreedt tot de GR IJSSELgemeenten en dat de GR IJSSELgemeenten voor Zuidplas uitsluitend taken op het terrein van sociale zaken zal uitvoeren. Dit onder de conditie dat het college van Zuidplas hetzelfde stemrecht (in aard en zwaarte) krijgt in het bestuur als de colleges van Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel. Dit is geregeld in artikel 8 van de GR IJSSELgemeenten. De beperking van de taken van de GR IJSSELgemeenten voor de gemeente Zuidplas is expliciet geregeld in artikel 5, vierde lid, van de GR IJSSELgemeenten.
De voorgenomen toetreding van het college van Zuidplas heeft geleid tot een (beperkte) heroverweging van de gekozen rechtsvorm en bestuursstructuur van de GR IJSSELgemeenten. Tegen de achtergrond van de door een per 1 januari 2015 ontstane nieuwe voorziening in de Wgr hebben de deelnemers ervoor gekozen de rechtsvorm en bestuursstructuur van de GR IJSSELgemeenten te vereenvoudigen. Deze vereenvoudiging impliceert een wijziging inhoudende dat het gemeenschappelijk openbaar lichaam wordt omgevormd tot een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, Wgr. De bedrijfsvoeringsorganisatie beschikt over rechtspersoonlijkheid. Anders dan het gemeenschappelijk openbaar lichaam beschikt de bedrijfsvoeringsorganisatie slechts over één bestuursorgaan, te weten het bestuur. Door deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling aan te gaan is de omvorming van het per 1 januari 2015 opgerichte gemeenschappelijk openbaar lichaam tot de bedrijfsvoeringsorganisatie juridisch automatisch geregeld. Dit betekent ook dat alle rechten en plichten die voor 1 januari 2016 door (bestuursorganen van) het gemeenschappelijk openbaar lichaam IJSSELgemeenten zijn aangegaan, vanaf 1 januari 2016 rusten op de bedrijfsvoeringsorganisatie IJSSELgemeenten. Hiermee is in juridische zin continuïteit in rechten en plichten geborgd.
De omvorming van het gemeenschappelijk openbaar lichaam tot een bedrijfsvoeringsorganisatie impliceert een wijziging in de bestuursstructuur, alsmede in besluitvormingsprocedures. Daar waar dat aan de orde is geweest, is dat expliciet in de artikelsgewijze toelichting toegelicht. Voor het overige is de toelichting op de GR IJSSELgemeenten slechts aangepast waar dat – gelet op de hiervoor beschreven wijziging – noodzakelijk was.
Met de inwerkingtreding van deze gewijzigde GR IJSSELgemeenten is een aantal bepalingen en artikelleden in de toenmalige GR IJSSELgemeenten komen te vervallen. In verband daarmee zijn de artikelen in deze gewijzigde GR IJSSELgemeenten hernummerd. Versie 4 september 2015.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Dit artikel bevat enkele begripsbepalingen die in de gemeenschappelijke regeling gehanteerd worden. Deze zijn aanvullend op termen zoals deze in de Wgr, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden gebruikt.
Artikel 2
Dit artikel regelt in het eerste lid dat een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt ingesteld. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een van de samenwerkingsmogelijkheden die de Wet gemeenschappelijke regelingen biedt (art. 8, derde lid, Wgr).
Wanneer een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt opgericht, moet de vestigingsplaats in de gemeenschappelijke regeling worden opgenomen (art. 10, derde lid, Wgr). Dat is in het tweede lid gebeurt. Deze vestigingsplaats bepaalt onder meer welke bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van beroep tegen besluiten die het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter nemen (art. 8:7, eerste lid, Awb; behoudens de besluiten die in mandaat namens de deelnemers worden genomen, vgl. art. 10:2 Awb).
Artikel 3
Dit artikel bevestigt conform artikel 14a Wgr dat de bedrijfsvoeringsorganisatie een bestuur heeft dat bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen.
Artikel 4
Een gemeenschappelijke regeling wordt getroffen ter behartiging van een of meerdere belangen van de betrokken gemeenten (art. 1, eerste lid, Wgr). De belangen waarvoor de gemeenschappelijke regeling wordt getroffen moeten in de gemeenschappelijke regeling zijn opgenomen (art. 10, eerste lid, Wgr). Artikel 4, eerste lid, benoemt dat belang. Het belang is met name bedoeld om de bevoegdheden van het bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam af te bakenen. Het belang is breed gehouden zodat het takenpakket in de toekomst uitgebreid kan worden. Dat gebeurt dan bij een aparte taakopdracht en overeenkomst (art. 5, derde lid), of middels wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Ter verduidelijking van het belang van de bedrijfsvoeringsorganisatie is in het tweede lid van artikel 4 ook het doel van de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de opgedragen taken geformuleerd.
Artikel 5
Artikel 5, eerste lid benoemt de taken die bij aanvang worden opgedragen. Het tweede lid verplicht dat daarvoor meerjarige dienstverleningsovereenkomsten worden afgesloten tussen het openbaar lichaam en de betrokken gemeenten. In het midden is gelaten voor hoeveel jaar de dienstverleningsovereenkomst gesloten wordt, om te voorkomen dat een te rigide systeem ontstaat. Het derde lid regelt dat de deelnemende colleges de taken kunnen uitbreiden bij eensluidend besluit indien dat ook is aanvaard door het bestuur. Zij dienen dat besluit wel voor te hangen bij de gemeenteraden wanneer dit ingrijpende gevolgen voor de gemeentelijke organisatie heeft (art. 169, vierde lid, Gemeentewet). Het vierde lid regelt tenslotte dat IJSSELgemeenten voor Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel alle in het eerste lid genoemde taken uitvoert en dat IJSSELgemeenten voor Zuidplas alleen de taken op het terrein van sociale zaken uitvoert.
Artikel 6
Dit artikel regelt dat de taken (en bevoegdheden) die aan het bestuur of de organisatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden opgedragen in mandaat worden uitgeoefend (art. 10:3, eerste lid, Awb). Er worden zodoende geen bevoegdheden overgedragen (vgl. art. 10, tweede lid, en art. 10:13 e.v. Awb). Dat de taken in mandaat worden uitgeoefend betekent dat de colleges van burgemeester en wethouders ten volle (politiek en juridisch) verantwoordelijk blijven voor de besluitvorming (art. 10:1 en art. 10:2 Awb). Daartoe moeten zij inlichtingen krijgen van de gemandateerde(n) (art. 10:6, tweede lid, Awb). De colleges kunnen ieder afzonderlijk instructies geven (art. 10:6, tweede lid, Awb), ze kunnen de bevoegdheden zelf uitoefenen (art. 10:7 Awb, hetgeen voor het beslissen op mandaat ten zeerste is aan te raden) en ze kunnen als ultimum remedium het mandaatbesluit intrekken (art. 10:8, eerste lid, Awb).
Artikel 7
Dit artikel vloeit voort uit de Europese aanbestedingsrichtlijnen en de Aanbestedingswet 2012. De deelnemende gemeente(besture)n mogen aanbestedingsvrij diensten afnemen van het gemeenschappelijk openbaar lichaam omdat daarbij in beginsel sprake is van een zogenoemde inbesteding. Om daar aan te kunnen (blijven) voldoen is het van belang dat de deelnemers toezicht kunnen uitoefenen op de strategische beslissingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie (hetgeen blijkens art. 12, derde lid, Richtlijn 2014/24/EU mogelijk is nu iedere deelnemer in het bestuur zit) en wanneer de bedrijfsvoeringsorganisatie ten minste 80% van zijn werkzaamheden verricht voor de deelnemende partijen. Wordt niet of niet langer aan deze eisen voldaan, dan kan niet langer aanbestedingsvrij gebruik worden gemaakt van de diensten van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. Het eerste lid benadrukt dit. Het tweede lid vereist voorts dat ook eventuele derden aan de aanbestedingsregels voldoen, alvorens zij diensten kunnen afnemen van de bedrijfsvoeringsorganisatie.
Artikel 8
Bij een bedrijfsvoeringsorganisatie (een gemeenschappelijke regeling waaraan uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders mogen deelnemen) zijn het de colleges van burgemeester en wethouders die uit hun midden leden voor het bestuur moeten aanwijzen (art. 14a Wgr). Hoeveel leden iedere deelnemer mag aanwijzen moet in de gemeenschappelijke regeling worden geregeld (art. 10, derde lid, jo. art. 14a jo art. 13, derde lid, Wgr). Er is voor gekozen dat iedere deelnemer zowel twee leden als twee plaatsvervangend lid aanwijst. De plaatsvervanger vervangt het lid bij afwezigheid.
Artikel 9
Artikel 14a jo. 13, tweede lid, Wgr bepaalt dat iemand die het lidmaatschap van het college verliest, van rechtswege ophoudt lid te zijn van het bestuur. Daarnaast geeft het vijfde lid ook een mogelijkheid van ontslagneming door het lid zelf, die pas ingaat wanneer in de opvolging is voorzien.
Artikel 10
Dit artikel bevat een nadere uitwerking van de (deels verplichte) artikelen 21, 22 en 23 van de Wgr. Het derde lid bevat een recht voor de gemeentesecretarissen om de vergaderingen van het bestuur bij te wonen en aan de beraadslagingen deel te nemen. Dat is expliciet opgenomen, nu de Wgr noch de Gemeentewet daarin voorziet.
Artikel 11
Uitgangspunt van de Wgr is dat ieder lid van het bestuur één stem heeft, maar de gemeenschappelijke regeling mag meervoudig stemrecht toekennen (art. 14a jo. 13, vierde lid, Wgr). Daarvan is geen gebruik gemaakt, dus ieder lid heeft één stem (lid 1). Uitgangspunt van de Wgr is voorts dat besluiten bij volstrekte meerderheid worden genomen, maar dat voor bepaalde besluiten een gekwalificeerde meerderheid kan worden geëist (art. 14a jo. art. 13, vierde lid, Wgr). Het tweede lid neemt dit uitgangspunt over, maar er zijn enkele uitzonderingen in het derde lid opgenomen, waarvoor unanieme besluitvorming geldt. Het vierde lid tenslotte herhaalt een verplichting uit artikel 22 Wgr.
Artikel 12
Dit artikel regelt de bevoegdheden van het bestuur van IJSSELgemeenten. Ter verduidelijking van het eerste lid bepaalt het tweede lid dat het bestuur IJSSELgemeenten als rechtspersoon in en buiten rechte vertegenwoordigt. De regeling voor de verlening van mandaat, volmacht en machtiging in de Awb stelt het bestuur in staat om andere personen bevoegd te maken namens het bestuur of de rechtspersoon IJSSELgemeenten in en buiten rechte op te treden. Dat behoeft derhalve niet nader in de GR IJSSELgemeenten geregeld te worden, maar mag worden geregeld bij besluit van het bestuur. Wel dient – gelet op het nieuw ingevoegde artikel 31a Wgr - in de GR IJSSELgemeenten uitdrukkelijk te worden geregeld dat de GR IJSSELgemeenten bevoegd is om te besluiten tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit artikellid is ingevoegd omdat met de inwerkingtreding van artikel 31a het ontbreken van een dergelijke bepaling zou betekenen dat de GR niet bevoegd zou zijn tot oprichting van en deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit zou dan een wijziging zijn ten opzichte van het regime van de GR IJSSELgemeenten dat gold tot 1 januari 2016.
Artikel 13
Het bestuur moet een reglement van orde vaststellen.
Artikel 14
Dit artikel regelt in de leden 1 tot en met 4 de inlichtingen- en verantwoordingsplicht van de individuele leden van het bestuur zoals die voortvloeien uit de artikel 16, 18 en 19 van de Wgr. Dit geldt voorts voor het ontslagrecht dat de colleges hebben ten aanzien van door hen aangewezen leden (art. 18 jo. art. 16, vijfde lid, Wgr). Ieder lid van het bestuur moet aan zowel het college dat hem heeft aangewezen als aan de raad van zijn gemeente verantwoording afleggen over hetgeen hij in het bestuur heeft gedaan. Daartoe moet hij ook alle inlichtingen verschaffen die één of meer leden van het college onderscheidenlijk de raad vragen. De leden 5 tot en met 7 bevat de inlichtingen- en verantwoordingsplicht van het bestuur (als orgaan van IJSSELgemeenten) aan de raden, overeenkomstig artikel 17 van de Wgr.
Artikel 15
De Wgr vereist niet dat het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie een voorzitter heeft. De Wgr staat bovendien niet toe dat, indien wordt gekozen om in de gemeenschappelijke regeling de functie van voorzitter van de bedrijfsvoeringsorganisatie te regelen, dat de voorzitter een bestuursorgaan is dat over eigen bevoegdheden mag beschikken. De GR IJSSELgemeenten bepaalt dat het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie een voorzitter heeft en dat deze functie wordt door een lid van het bestuur dat door het college van Capelle aan den IJssel is aangewezen.
Artikel 16
Dit artikel behandelt de rol en positie van de secretaris. De (algemeen) directeur is secretaris.
Artikel 17
Dit artikel regelt dat het bestuur de kaders stelt voor de ambtelijke organisatie in de vorm van een organisatiebesluit en een bedrijfsplan.
Artikel 18
De ambtelijke organisatie staat onder leiding van een directeur (eerste lid). Een bijzondere taak van de directeur is de periodieke evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de organisatiestructuur (tweede lid).
Artikel 19
Dit artikel regelt de rechtspositie van het personeel van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Een bedrijfsvoeringsorganisatie in de zin van de Wgr behoort in beginsel tot de openbare dienst (art. 1, tweede lid, Ambtenarenwet), en kan zodoende ambtenaren in dienst hebben (art. 1, eerste lid, Ambtenarenwet). Dat betekent dat het bestuur verplicht is een rechtspositionele regeling vast te stellen (art. 125, tweede lid, Ambtenarenwet). Met de toepassing van de CAR/UWO wordt nog eens extra benaderd dat het hier om ambtelijke aanstellingen gaat, nu deze regeling slechts in uitzonderlijke situaties privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten toestaat.
Artikel 20
Voor de in dit artikel genoemde diensten maken de IJSSELgemeenten gebruik van de diensten van Capelle aan den IJssel.
Artikel 21
Dit artikel regelt de medezeggenschap en het georganiseerd overleg.
Artikel 22
Het eerste lid regelt in aanvulling op artikel 6 dat het bestuur bevoegd is tot benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. Het tweede lid bepaalt dat tot uiterlijk 1 januari 2018 het bestuur een directeur (en een plaatsvervanger) benoemd uit de kring van gemeentesecretarissen van de deelnemers.
Artikel 23
Dit artikel handelt over de financiële administratie, overeenkomstig de huidige Gemeentewet. Op de administratie is ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) van overeenkomstige toepassing. Het bestuur moet de zogenoemde 212- en 213-verordeningen vaststellen (art. 35, zesde lid, Wgr jo. art. 212 en art. 213 Gemeentewet).
Artikel 24
Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar, overeenkomstig artikel 189 lid 4 Gemeentewet.
Artikel 25
Dit artikel regelt de wijze van kostenverdeling over de deelnemers en derden. De afgesloten dienstverleningsovereenkomsten zijn daarvoor leidend. Versie 4 september 2015.
Artikel 26
Dit artikel codificeert dat de deelnemers er voor zorg dragen dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te alle tijden aan zijn verplichtingen jegens derden kan voldoen. Dat betekent dat bij tekorten die niet intern kunnen worden afgedekt, de deelnemers moeten bijbetalen.
Artikel 27
Dit artikel regelt de afspraken rondom het startkapitaal.
Artikel 28
Dit artikel ziet op de praktische uitvoering van betalingen en bevoorschotting die door de deelnemers moet plaatsvinden om de IJSSELgemeenten te kunnen laten functioneren.
Artikel 29
De bijdragen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie zijn verplichte uitgaven voor de gemeente. Dat betekent dat de raad deze op de begroting moet opnemen. Indien de raad dit weigert, kunnen gedeputeerde staten daarin voorzien. Dit artikel regelt dat het bestuur gedeputeerde staten tijdig inschakelt indien gemeenteraden weigeren de benodigde verplichtingen op te nemen op de gemeentelijke begroting.
Artikel 30
Dit artikel gaat over de begroting en de daarbij behorende kaders, binnen de wettelijke kaders van artikel 34, 34b en 35 van de Wgr. Het bestuur moet jaarlijks voor 1 maart een kadernota vaststellen voor de bedrijfsvoering voor het volgende begrotingsjaar (lid 1). Deze dient als kader voor de begroting. Het bestuur stelt vervolgens een conceptbegroting op voor 15 april (lid 2). Deze conceptbegroting wordt aan de raden en colleges gezonden (lid 3). Eventuele budgetverhogingen moeten apart worden toegelicht (lid 4). De raden hebben acht weken de tijd om zienswijzen in te dienen bij het bestuur (lid 5) Vervolgens moet het bestuur beslissen omtrent de begroting en deze uiterlijk 1 juli vaststellen (lid 7).
Vervolgens moet de begroting worden ingezonden aan gedeputeerde staten voor 15 juli en aan de raden en colleges (lid 8). De procedure is ook van toepassing op begrotingswijzigingen (lid 9).
Artikel 31
Conform artikel 34b Wgr dient het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie de voorlopige jaarrekening voor 15 april aan de raden van de gemeenten toe te zenden. Dit is geregeld in het eerste lid. Het tweede lid bepaalt dat het bestuur de jaarrekening opstelt, welke voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de rekening geldt aan gedeputeerde staten (en de raden en colleges) door het bestuur wordt gezonden (zie ook art. 34 Wgr). Versie 4 september 2015.
Artikel 32
Dit artikel vloeit voort uit de Archiefwet 1995.
Artikel 33
Geschillen omtrent de gemeenschappelijke regeling moeten aan gedeputeerde staten worden voorgelegd (art. 28 Wgr). Dit artikel voorziet in een voorprocedure om geschillen snel te kunnen oplossen, voordat geformaliseerd wordt.
Artikel 34
Dit artikel regelt het klachtrecht ten aanzien van de IJSSELgemeenten overeenkomstig hoofdstuk 9 Wgr. Voor het externe klachtrecht is de ombudsman bevoegd die door Capelle aan den IJssel is aangewezen als ombudsman.
Artikel 35
Dit artikel regelt de procedure voor toetreding van nieuwe partijen, voor zover die partijen daartoe op grond van de Wgr bevoegd zijn. Toetreding kan geschieden bij unaniem besluit van de deelnemers én de potentiële deelnemer. De deelnemers moeten daarvoor toestemming van hun raden hebben (art. 1, derde lid, jo. tweede lid, Wgr), zoals ook de potentiële toetreder dat mogelijk nodig heeft. Het bestuur kan voorstellen doen, en regelt de gevolgen van de toetreding (lid 2). Daarbij kan een toetredingssom worden bepaald (lid 3). In het toetredingsbesluit wordt bepaald wanneer dit in werking treedt (lid 4). Het bestuur deelt de toetreding mee aan gedeputeerde staten (lid 5).
Artikel 36
Dit artikel regelt de voorwaarden tot uittreding.
Artikel 37
Een wijziging van de gemeenschappelijke regeling komt tot stand bij unaniem besluit van de deelnemers (lid 2). De colleges hebben daarvoor toestemming van hun raad nodig (art. 1, derde lid, jo. tweede lid, Wgr). Het bestuur of ten minste twee deelnemers kunnen voorstellen tot wijziging doen (lid 1). De wijziging regelt zelf wanneer deze in werking treedt (lid 3).
Artikel 38
Dit artikel regelt de (tussentijdse) opheffing van de gemeenschappelijke regeling. Dit kan geschieden bij unaniem besluit van de deelnemers (lid 1). Het bestuur stelt vervolgens een liquidatieplan op (lid 2). De bedrijfsvoeringsorganisatie blijft bestaan, zolang dat voor liquidatie noodzakelijk is (lid 3; art. 9, derde lid, Wgr). Versie 4 september 2015.
Artikel 39
Een gemeenschappelijke regeling kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden getroffen (art. 9, eerste lid, Wgr). Deze gemeenschappelijke regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.
Voorts bepaalt het tweede lid dat het college van Capelle aan den IJssel belast is met inzending van de gemeenschappelijke regeling aan gedeputeerde staten van Zuid-Holland overeenkomstig artikel 26, eerste lid, Wgr. Tot slot herinnert het derde lid aan de inschrijvingsplicht van de colleges overeenkomstig artikel 27 Wgr.
Artikel 40
Dit artikel regelt de citeerwijze (de officiële naam) van de gemeenschappelijke regeling.
Verwijzingen
- art. 35
- art. 10
- art. 10
- Artikel 4
- art. 9
- art. 8
- artikel 34
- art. 13
- art. 10
- art. 10
- art. 212
- art. 10
- artikel 6
- art. 14a
- art. 1
- art. 16
- artikel 8
- art. 1
- artikel 4
- art. 1
- art. 1
- art. 10
- art. 5
- art. 125
- artikel 189
- art. 10
- artikel 16
- art. 169
- art. 14a
- art. 10
- Artikel 5
- art. 14a
- art. 10
- artikel 26
- artikel 31a
- Artikel 14a
- art. 13
- art. 1
- art. 10
- art. 10
- art. 12
- art. 10
- art. 8
- artikel 5
- art. 9
- art. 18
- art. 10