Naar hoofdinhoud
1.. Een boete wordt lager vastgesteld als het inkomen daartoe aanleiding geeft. 2.. De boete die, gelet op het inkomen, ten hoogste kan worden opgelegd, wordt als volgt berekend: Ontvangt belanghebbende ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete een bijstandsuitkering, dan wordt de hoogte van de boete afgestemd op basis van zijn fictieve draagkracht. Deze fictieve draagkracht bedraagt 10% van de dan van toepassing zijnde bijstandsnorm, waartoe ook de kostendelersnorm wordt gerekend. Ontvangt belanghebbende ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete geen bijstandsuitkering, dan wordt de hoogte van de boete afgestemd op basis van zijn fictieve draagkracht. Deze fictieve draagkracht komt overeen met de meerinkomsten die belanghebbende op dat moment ontvangt boven 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, waartoe niet de kostendelersnorm wordt gerekend. 3.. De duur van de fictieve draagkracht zoals bedoeld in lid 2, onder a en b bedraagt: 24 maanden, indien sprake is van opzet; 18 maanden, wanneer sprake is van grove schuld; 12 maanden, indien sprake is van normale verwijtbaarheid en; 6 maanden, wanneer het gaat om verminderde verwijtbaarheid. 4.. Bij recidive gelden dezelfde termijnen als bedoeld in het derde lid.

Rechtspraak bij dit artikel