Nadat bepaald is welk bedrag in de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden geïnvesteerd, is de vraag waarin moet worden geïnvesteerd. De gemeente Laarbeek heeft de voorkeur om investeringen te laten plaatsvinden aansluitend op of in de nabijheid van het initiatief. Dit is juridisch ook het beste vast te leggen. Het is echter mogelijk dat investeringen niet in de nabijheid gerealiseerd kunnen worden (bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan grond). Op dat moment kan die investering worden ingezet elders binnen de gemeente, om gemeentelijke beleidsdoelen met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap te realiseren. In de structuurvisie heeft de gemeente vastgelegd welke landschapsprojecten hiermee worden gerealiseerd.
Er kan op meerdere wijze geïnvesteerd worden in kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit kan betreffen een:
landschappelijke inpassing van bebouwing- en bestemmingsvlakken;
aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur;
aanleg recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik (bankjes, wandelpaden, bebording, etc.);
fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie;
sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen/stallen/kassen en verwijderen verharding;
verkleinen/opheffen van bestemmingsvlakken/bouwvlakken;
fysieke bijdrage aan realisering van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en ecologische verbindingszones (EVZ’s).
Ad a. Landschappelijke inpassing
Het bedrag dat met de realisering van landschappelijke inpassing gemoeid is kan afgeleid worden uit het inpassingsplan. In voorkomende gevallen worden standaard de normbedragen uit het Stimuleringskader Groenblauwe Diensten (Stika) aangehouden. Beheer- en onderhoudskosten kunnen niet in dit bedrag worden meegenomen, tenzij het een natuurdoeltype betreft dat niet aangelegd moet worden, maar door het juiste beheer en onderhoud moet ontstaan (bijv. schraalgrasland).
Ad b. Natuur- en landschapselementen
Met betrekking tot een investering in de aanleg van natuur- en landschapselementen kan gebruik worden gemaakt van het Stimuleringskader Groen-Blauwe diensten (Stika). Het plan voor Stika bevat een beschrijving van de aanwezige landschapstypen. Deze landschapstypen sluiten aan op diverse vormen van natuur- en landschapselementen (zoals akkerranden, poelen, hakhoutwallen etc.). Afhankelijk van de locatie waar de investering in het landschap zal landen kan mede aan de hand van Stika bepaald worden welke ingreep gewenst is en wat de bijbehorende kosten zijn. Het is aan de initiatiefnemer om zorg te dragen voor realisatie van de gestelde oppervlakten en kwaliteiten. Indien de initiatiefnemer de aanleg goedkoper kan dan de richtbedragen in Stika dan is dit ten voordele van de initiatiefnemer. Beheer- en onderhoudskosten kunnen niet in dit bedrag worden meegenomen, tenzij het een natuurdoeltype betreft dat niet aangelegd moet worden, maar door het juiste beheer en onderhoud moet ontstaan (bijv. schraalgrasland).
Ad c. Voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik
Ook een investering in de aanleg van recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik wordt als onderdeel van kwaliteitsverbetering van het landschap gezien.
Initiatieven die gericht zijn op het vestigen of uitbreiden van een recreatief bedrijf hebben voordeel bij het realiseren van recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals openbaar te gebruiken bankjes of wandelpaden en fietspaden. Het landschapsinrichtingsplan dient een goede omschrijving te geven van de aan te leggen recreatieve voorzieningen, inclusief begroting. Toekomstig onderhoud van aangelegde recreatieve voorzieningen kan niet worden meegenomen. Om te voorkomen dat alleen recreatieve voorzieningen worden aangelegd wordt dit gemaximeerd op 25% van het berekende investeringsbedrag.
Ad d. Cultuurhistorie en archeologie
Het is ook mogelijk om te investeren in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, elementen of terreinen in de omgeving. Voorbeelden zijn herstel en restauratie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, bestaande drinkpoelen, wegkruizen en groenelementen. Gedeeltelijk kan de systematiek van Stika hiervoor gebruikt worden.
Voor de investering in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zijn de specifieke restauratiekosten (onder aftrek van subsidies) een aanknopingspunt. Voor cultuurhistorisch waardevol groen kunnen de Stika normen worden gehanteerd. Bij overige kwaliteitsverbeteringen gericht op cultuurhistorie of archeologie zal het landschapsinrichtingsplan met een begroting duidelijk moeten maken hoe de investering er uitziet. Bij bebouwing geldt dat het om herstel en restauratie van bestaande cultuurhistorisch waardevolle bebouwing moet gaan. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft alleen panden die op de Rijksmonumentenlijst of op de gemeentelijke monumentenlijst staan of door de gemeente in het bestemmingsplan als beeldbepalend zijn aangemerkt. Om te voorkomen dat de investering in kwaliteitsverbetering van het landschap volledig in stenen gaat zitten, wordt dit gemaximeerd op 25% van het berekende investeringsbedrag. Nieuwbouw kan nimmer gelden als kwaliteitsverbetering m.b.t. cultuurhistorie.
Ad e. Sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen/stallen/kassen
Het verwijderen van overbodige, landschappelijk storende bebouwing in het buitengebied vormt een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van het landelijke gebied. Voor het slopen van stallen en andere bedrijfsbebouwing (inclusief kelders) wordt gerekend met kosten van € 25,– per m2 en bij het saneren van kassen met € 5,– per m2 glas. Indien de te slopen stallen en andere bedrijfsbebouwing voorzien zijn van asbest daken mag het bedrag van € 25,– per m2 te slopen bebouwing, met € 10,– per m2 te slopen bebouwing worden verhoogd. Deze kosten mogen in mindering worden gebracht op de bijdrage die geleverd moet worden als tegemoetkoming in de kwaliteitsverbetering van het landschap.
In de LIR wordt niet aangegeven dat de sloop van gebouwen/stallen op ‘eigen terrein’ zou moeten plaatsvinden. Concreet betekent dit dat de overbodige landschappelijk storende bebouwing aanwezig op het terrein van derden, uiteraard gelegen in het buitengebied c.q. buiten bestaand stedelijk gebied, hiervoor ingezet kan worden (min of meer ruimte voor ruimte in het klein). Het gaat daarbij niet alleen om de sloop van overbodige landschappelijk storende bebouwing bij al dan niet gestopte agrarische bedrijven die nog een agrarische bestemming hebben of op (korte) termijn stoppende agrarische bedrijven, maar ook om bebouwing aanwezig op locaties die voorheen in gebruik zijn geweest voor agrarische doeleinden en die inmiddels een andere bestemming hebben gekregen (veelal woondoeleinden of een bedrijvenbestemming met de aanduiding stalling en opslag). Ondanks het feit dat daar geen inzicht in bestaat, is op deze locaties een groot aantal vierkante meters aan landschappelijk storende bebouwing aanwezig die eveneens voor sloop in aanmerking komt.
Sloopafspraken maken met derden betekent overigens wel dat een en ander juridisch goed geregeld moet worden in de af te sluiten landschapsinvesteringsovereenkomst. Dit kan door vast te leggen dat wanneer de initiatiefnemer, die de verplichting heeft en die met de door hem gekozen derde niet tot overeenstemming kan komen binnen de hiervoor in de overeenkomst gestelde termijn, alsnog verplicht is om de bijdrage in het gemeentelijk fonds te storten (met hieraan gekoppeld een boetebeding om nakoming af te dwingen). Daarmee ligt de verantwoording ook bij de initiatiefnemer en de derde belanghebbende.
Ad f. Verkleining/opheffen van bestemmingsvlakken/bouwvlakken
Bij het omzetten van een agrarisch bouwvlak met bedrijfswoning naar een (burger)woonbestemming ontstaat enerzijds waardevermeerdering voor het deel dat de woonbestemming krijgt. Aan de andere kant zal deze woonkavel veelal aanzienlijk kleiner worden dan de omvang van het oorspronkelijke agrarische bouwblok, dat grotendeels met een agrarische gebiedsbestemming (waarop de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is gesaneerd) kan worden herbestemd. Dit gedeelte van het oorspronkelijke agrarische bouwblok kan dan ook afgewaardeerd worden naar agrarische cultuurgrond. Deze waardevermindering (bestemmingsverlies) kan vervolgens ingezet worden om (gedeeltelijk) invulling te geven aan kwaliteitsverbetering van het landschap. Dat is inherent aan de hiervoor geschetste werkwijze met forfaitaire bedragen. Deze wijze van voldoen aan kwaliteitsverbetering kan ook toegepast worden bij andere verkleiningen of het opheffen van bestemmingsvlakken waarbij duidelijke sprake is van het terugdringen van gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van de vigerende bestemmingsregeling en daarmee van bestemmingsverlies.
Wel dient een aantal randvoorwaarden gesteld te worden:
Waardevermindering van de grond mag alleen als kostenpost opgevoerd worden als de bestemming landbouw definitief omgezet wordt naar de bestemming bos, natuur of landschapselement.
Dit is alleen mogelijk bij ‘blijvende’ natuurtypen zoals beplanting, een poel, ecologische oevers, e.d. Bij alleen bloemrijk grasland, een boomgaard of akkerranden kan geen waardevermindering worden opgevoerd.
Waardevermindering van grond kan nooit toegepast worden binnen een bebouwingsvlak of agrarisch bouwblok.
Waardevermindering van grond kan niet toegepast worden binnen 5 meter van enige bebouwing of op als tuin ingerichte gronden. In het verleden zijn wel ‘groene’ bestemmingen tegen bebouwing aangelegd. De natuurwaarden zijn dan te gering en er wordt al snel beplanting gesnoeid of zelfs gerooid als die tegen of over de bebouwing gaat groeien.
Voor de toepassing van waardevermindering van grond moet het aan te leggen element een oppervlakte hebben van minimaal 500 m2 anders is de omvang te beperkt om een aparte bestemming te rechtvaardigen.
Om de waardevermindering van grond te kwantificeren wordt uitgegaan van het betreffende normbedrag uit de Stika-regeling.
Ad g. Fysieke bijdrage aan realisering van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) inclusief ecologische verbindingszones (EVZ’s)
De kwaliteitsverbetering kan betrekking hebben op het realiseren van delen van NNB en van ecologische verbindingszones. Hierbij wordt veelal agrarische cultuurgrond omgezet in een natuur- of bosbestemming. Om de inrichtingsmaatregelen te kwantificeren wordt gebruik gemaakt van de Stika-normen. Naast de kosten gemoeid met aanleg kan ook de waardevermindering van de grond (omzetten van agrarisch naar natuur) bij de investering in kwaliteitsverbetering betrokken worden (zie onder ad f). Ook hiervoor geldt het betreffende normbedrag uit de Stika-regeling. Onderhoudskosten kunnen niet worden meegenomen voor invulling van de kwaliteitsverbetering.
Wat kan in elk geval niet als kwaliteitsverbetering van het landschap worden meegenomen:
Het rooien van beplanting (t.b.v. de nieuwe inrichting) is in het verleden ook wel eens opgevoerd als kostenpost. Weghalen van inheemse beplanting draagt (ook als het noodzakelijk is voor een andere terreininrichting) niet bij aan het behalen van een kwaliteitsverbetering en wordt daarom niet meegenomen als investering. Als uitzondering kan gelden het weghalen van uitheemse, landschappelijk niet passende, beplanting (zoals bijvoorbeeld coniferen, laurierkers) onder voorwaarde dat die vervangen wordt door inheemse beplanting.
Het inzaaien van alleen gras (gazon of weiland). Alleen aanleg van bloemrijk grasland kan gelden als kwaliteitsverbetering.
Het aanbrengen van gesloten verhardingen, ook niet voor recreatieve voorzieningen.
Het aanvoeren en verwerken van grond voor het realiseren van grondwallen e.d. Het aanbrengen van grondwallen voegt landschappelijk niets toe. Er kan dan beter voor een dichte houtsingel gekozen worden.
De kosten voor planvorming en uitwerking.
Artikel 3.
Investeren in kwaliteitsverbetering van het landschap
Onderdeel van Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek