Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:
verzoeker niet langer voldoet aan het bepaalde onder artikel 2, danwel één van de factoren genoemd in artikel 3 lid 2 onder a tot en met f een rol spelen;
het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;
verzoeker zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van zijn schulden;
op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan verzoeker is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
verzoeker zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit de schuldhulpverlening, misdraagt;
verzoeker in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;
de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, niet (langer) passend is;
schuldeiser(s) hun medewerking aan een minnelijke schuldregeling weigeren of opzeggen;
faillissement van verzoeker;
de voorwaarden uit één van de overeenkomsten, gesloten in het kader van de schuldhulpverlening, niet zijn nagekomen;
verzoeker nieuwe schulden is aangegaan;
verzoeker is komen te overlijden;
er een WSNP-verklaring is afgegeven;
verzoeker voor de tweede keer niet is verschenen op een afspraak zonder hierover vooraf te berichten;
verzoeker zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen.